In januari 2020 kwamen de eerste berichten over een uitbraak van een nieuw virus in de Chinese stad Wuhan. Sindsdien is er (toenemende) discussie over de ernst ervan, de maatregelen die genomen zijn, het testbeleid, de betrouwbaarheid van de PCR-test, de effectiviteit en veiligheid van vaccins, etc, etc. Een probleem hierbij is dat er ongenuanceerde en onjuiste berichten over verschijnen die de opvattingen van iemand in een verkeerde richting kunnen beïnvloeden. In dit artikel een bespreking van enkele voorbeelden daarvan.

Door Rob van Berkel, onderzoeksdiëtist en geïnformeerde leek op het gebied van virologie en immunologie. Er is zorg besteed aan een juiste onderbouwing van uitspraken, maar door de vele studies die gepubliceerd zijn (en nog gaan worden) is volledigheid niet nagestreefd. 

Niet iedereen heeft dezelfde opvattingen over corona

SARS-CoV-2 (het nieuwe coronavirus) blijft de gemoederen bezighouden en de spanningen lopen soms hoog op. Niet iedereen heeft namelijk dezelfde opvattingen over wat er zich afspeelt en dat leidt tot verdeeldheid. In grote lijnen kun je drie verschillende groepen mensen onderscheiden:

  1. Een groep mensen met de opvatting dat SARS-CoV-2 een probleem is en dat de maatregelen die de regering neemt nodig zijn om SARS-CoV-2 en COVID-19 onder controle te krijgen.
  2. Een groep mensen met de opvatting dat de maatregelen niet nodig zijn en dat het allemaal bedrog is van de elite en wereldleiders om uiteindelijk de wereldmacht over te nemen. Ze vinden de informatie van officiële instanties als het RIVM, CDC, WHO, de regering, de main stream media (MSM), gerenommeerde virologen (prof. dr. Marion Koopmans, prof. dr. Ab Osterhaus, dr. Anne Wensing, etc) die grotendeels achter het beleid staan en de vele ‘factcheckers‘ onbetrouwbaar.
  3. Een groep mensen die ergens tussen de twee bovenstaande groepen in zit.

Iedereen mag natuurlijk zijn/haar eigen opvattingen hebben. Zolang daar valide argumenten voor aangedragen worden is daar weinig mis mee. En er zijn zeker argumenten om het niet met alle, door de politiek, genomen maatregelen eens te zien. Het kan echter zijn dat een opvatting op ongenuanceerde en onjuiste berichten is gebaseerd. Over SARS-CoV-2 en aanverwante onderwerpen verschijnen namelijk veel berichten die afwijken van wat overheden en officiële instanties zeggen. Niet zelden zijn die berichten ongenuanceerd of onjuist terwijl die toch massaal geplaats, gedeeld en geliked worden. Dat kan de opvattingen van (groepen) mensen beïnvloeden wat een onwenselijke situatie is.

Kloppen de afwijkende berichten over het coronavirus?

De groep mensen met de opvatting dat de coronapandemie bedrog is en dat de vaccins niet effectief en zelfs schadelijk zijn, maakt dat duidelijk op sociale media en daarbuiten (demonstraties, rechtszaken). De uiteenlopende berichten die ze verspreiden en de overtuiging waarmee ze dat doen veroorzaakt verwarring over de ernst van het coronavirus en het nut van de maatregelen en vaccinatie. Maar kloppen die berichten wel? Ongetwijfeld zitten er berichten tussen die kloppen, maar zeker niet altijd. Regelmatig zitten er berichten tussen die ongenuanceerd, onjuist en selectief gekozen zijn. Het is dus niet zo dat die groep per definitie objectief onderzoek heeft gedaan, kritisch nadenkt, weet waar die over praat en ‘wakker‘ is, zoals regelmatig wordt gesuggereerd. Die groep neemt bepaalde standpunten in en geconstrueert daarmee een eigen ‘waarheid‘ waar niet aan te tornen valt, ongeacht de argumenten die aangedragen worden.

Wie moet nepnieuws en desinformatie aanpakken?

Uit de Mediamonitor van 2018 blijkt dat het merendeel van de respondenten (ca. 75%) vond dat technologische bedrijven (Facebook, Google/YouTube), mediabedrijven en journalisten meer moeten doen om nepnieuws makkelijker van echt nieuws te onderscheiden op internet. Een meerderheid (ca. 65%) vond dat ook de overheid hierin een rol heeft.

Op Europees niveau wordt het probleem van het verspreiden van nepnieuws en desinformatie erkend. Er wordt dan ook gewerkt aan de bestrijding ervan [1]:

“De COVID-19-pandemie (coronaviruspandemie) heeft geleid tot een ongekende “infodemie”. Een ware vloedgolf van vaak onjuiste of onnauwkeurige informatie over het virus verspreidde zich snel via sociale media. Dit kan – volgens de Wereldgezondheidsorganisatie WHO – verwarring en wantrouwen doen ontstaan en doeltreffende volksgezondheidsmaatregelen ondermijnen. Deze infodemie speelt in op de meest basale angsten van de mensen. Door de lockdownmaatregelen zijn miljoenen mensen verplicht thuisgebleven, waardoor het gebruik van sociale media is toegenomen, onder meer als middel om toegang te krijgen tot informatie; onlineplatformen, factcheckers en gebruikers van sociale media melden echter miljoenen onjuiste of misleidende berichten. Omdat het om een nieuw virus ging, bleken leemten in de kennis een ideale voedingsbodem voor de verspreiding van onjuiste of misleidende berichtgeving.”

Heeft de overheid altijd gelijk?

SARS-CoV-2 was in 2019 een nieuw virus waar niet veel over bekend was. Er werden weliswaar snel studies over gepubliceerd (als dan niet in preprint), maar de publicatiedruk ging in het algemeen ten koste van de kwaliteit [2]. Daarnaast kost het soms eenvoudigweg tijd om bepaalde resultaten en daarmee vragen beantwoord te krijgen. Het beleid was daarom gebaseerd op beperkte data en op het gedrag van, naar men aannam, vergelijkbare virussen. Het is dan niet verwonderlijk dat er, achteraf gezien, verkeerde inschattingen en fouten zijn gemaakt. Premier Rutte heeft dat ook toegegeven [3]. Maar er is nooit beweerd dat het beleid op solide wetenschappelijke gegevens gebaseerd was. Iets doen was echter beter dan niets doen en dan moeten er keuzes gemaakt worden op basis van het best beschikbare bewijs.

Een gegeven is dat door de complexiteit nooit iedereen het met genomen maatregelen eens zal zijn. Mensen verschillen in waarden en opvattingen en de maatregelen treffen niet iedereen even hard. Daarnaast is er een verschil tussen de effecten die maatregelen hebben op het individu en op de maatschappij aangezien het een infectieziekte is. Bovendien gaat het vaak om preventieve maatregelen. Dat zijn maatregelen die als doel hebben om te voorkomen dat het aantal ziekenhuisopnamen en sterfgevallen toeneemt en dat de maatschappij verder ontwricht raakt. Het ideale moment om die maatregelen te nemen is het moment waarop de problemen nog niet direct zichtbaar zijn, maar zonder ingrijpen mogelijk wel in aantocht. Inmiddels zijn we veel wijzer geworden over SARS-CoV-2, maar door de dynamiek en complexiteit ervan blijven nog veel vragen onbeantwoord, blijven er nieuwe vragen komen en blijft bijsturen aan de hand van nieuwe inzichten, ontwikkelingen en maatschappelijke behoeften nodig.

Onderschat de deskundigheid van adviesorganen niet

Wat betreft de kritiek op adviesorganen als het ‘Outbreak Management Team‘ (OMT), het RIVM en de Gezondheidsraad moet beseft worden dat daar mensen werken die deskundig zijn op hun vakgebied. Ze beschikken over meer kennis, inzicht en ervaring dan de meeste mensen die aan de zijlijn staan, waardoor ze betere afwegingen kunnen maken en betere adviezen kunnen geven. Dat besef (of die overtuiging) is er niet bij iedereen. Er is duidelijk een discrepantie tussen hoe sommige mensen denken over virologisch, immunologisch en epidemiologisch onderwerpen en hoe adviesorganen daarover adviseren.

Rechtszaken tegen de Staat der Nederlanden

Op 22 september 2021 is door de advocaten Bart Maes (Maes Law) en Maxim Hodak (Law and More) de Staat de Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) gedagvaard voor de invoering van het coronatoegangsbewijs [4].  Ze voerden onder andere aan dat de Staat zich met de invoering van het coronatoegangsbewijs schuldig maakt aan een onrechtmatige overheidsdaad. Volgens hen schendt de Staat met het coronatoegangsbewijs het discriminatieverbod en maakt hij een onevenredige inbreuk op diverse andere mensen- en grondrechten. Met het coronatoegangsbewijs zou een ongerechtvaardigd onderscheid worden gemaakt tussen gevaccineerden en ongevaccineerden en dus is sprake van een inbreuk op artikel 1 Grondwet en diverse internationale verdragsbepalingen. Er zijn meer mensen die daarvan overtuigd zijn en dat op social media delen alsof het een vaststaand feit is. De voorzieningenrechter oordeelde echter anders [4]:

“Het hanteren van het coronatoegangsbewijs is niet in strijd met het discriminatieverbod. Voorshands is niet gebleken dat sprake is van een verschil in behandeling waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Ook maakt het hanteren van het coronatoegangsbewijs geen onevenredige inbreuk op andere grond- en mensenrechten en de AVG. De Staat heeft dus in redelijkheid voor het invoeren van het coronatoegangsbewijs kunnen kiezen.”

Ook rechtszaken als kort geding (spoedprocedure) tegen de Staat der Nederlanden voor onder andere de avondklok (februari 2021), alle lockdownmaatregelen (mei en juli 2021), de vaccinatiecampagne (februari en mei 2021) en het gebruik van de PCR-test (november 2020 en april 2021) zijn (ook in hoger beroep) afgewezen. Er is duidelijk een discrepantie tussen hoe sommige mensen denken over wat juridisch wel en niet mag en hoe rechters daarover oordelen.

Inhoud

  1. Het nieuwe coronavirus zou al veel langer bestaan
  2. Het coronavirus zou afkomstig zijn uit een lab in Wuhan
  3. Het coronavirus zou nog nooit geïsoleerd zijn
  4. COVID-19 zou hetzelfde zijn als griep
  5. COVID-19 zou niet in groep A thuishoren
  6. Met een wattenstaafje in de neus om te testen op het coronavirus zou je de hersenen raken
  7. Bij een antigeen zelftest zou de gebruiker zelf kunnen kiezen voor een positieve of negatieve testuitslag
  8. Het percentage positief geteste mensen zou zijn gedaald, terwijl het RIVM een stijging rapporteerde
  9. De PCR-test zou geen onderscheid kunnen maken tussen het coronavirus en griep
  10. Het CDC zou volgend jaar de PCR-test niet meer gaan gebruiken vanwege de hoge onbetrouwbaarheid
  11. De PCR-test zou spike-eiwitten kunnen detecteren
  12. De spike-eiwitten die door mRNA-vaccins worden geproduceerd zouden giftig zijn
  13. Het BioNTech/Pfizer-vaccin zou tot sterfte leiden
  14. De deelnemers aan een vaccinstudie zouden weten of ze het vaccin of placebo kregen
  15. Vaccins tegen COVID-19 zouden niet effectief zijn
    Kader: De werking van mRNA-vaccins
  16. Een infectie doormaken zou beter beschermen dan vaccinatie
    Kader: Geen vaccin en vertrouwen op je eigen immuunsysteem?
  17. Door vaccinatie zou je meer kans hebben op sterfte door de deltavariant
  18. Vaccins zouden de mutatiesnelheid van het coronavirus doen laten toenemen
  19. Een toename van het aantal vaccinaties zou gevolgd worden door een toename van het aantal sterfgevallen
  20. Lectines uit granen en peulvruchten zouden het coronavirus de cel binnenloodsen

1. Het nieuwe coronavirus zou al veel langer bestaan
Zie voorbeeld, voorbeeld, voorbeeld, voorbeeld [5-7]

Het bestaan van coronavirussen is al lang bekend. Er zijn verschillende soorten coronavirussen met overeenkomstige kenmerken, waaronder [8]:

  • Diameter ca. 80-160 nm diameter
  • Positief, enkelstrengs RNA-virus
  • Met enveloppe
  • Met spike-eiwitten

De eerste publicatie over een coronavirus is van Schalk en Hawn en komt uit 1931 [9]. Toen werd het nog ‘Infectious Bronchitis Virus‘ (IBV) genoemd, een virus dat bij jonge kippen (2-21 dagen) ademhalingsproblemen geeft met een sterftecijfer van 40-90%. In 1965 werd door Tyrrell en Bynoe de eerste menselijke variant ontdekt [10]. Dit startte in 1960-1961 toen Tyrell met zijn team monsters afnam (keel- en neusswabs) bij jongens met verkoudheidsklachten op een kostschool. Enkele monsters konden niet op de conventionele manieren gekweekt worden. Een paar monsters, in het bijzonder met het label B814, viel op omdat het erg besmettelijk was wanneer gezonde vrijwilligers ermee werden geïnfecteerd. De ziekteverwekker kon een bacteriefilter passeren en mensen infecteren die antibiotica kregen. Het kon dus geen bacterie zijn.

Hamre en Procknow onderzochte in dezelfde periode monsters van luchtweginfecties bij medische studenten [11]. Deze monsters werden waren gelabeld als 229E. Ook deze monsters waren erg besmettelijk en testte negatief voor de bekende virussen. Met behulp van June Almeida vergeleek Tyrrell de twee virussen onder een elektronenmicroscoop en kwam tot de ontdekking dat beide virussen identiek waren aan elkaar en IBV [12]:

“Probably the most interesting finding from these experiments was that two human respiratory viruses, 229 E and B 814. are morphologically identical with avian infectious bronchitis.”

In 1971 werd officieel de naam ‘coronavirus‘ als geslacht geregistreerd, genoemd naar de corona (krans) van de zon waar de spike-eiwitten onder een elektronenmicroscoop aan doen denken. Vier jaar later kreeg het coronavirus de familienaam ‘Coronaviridae‘ [13]. Van de ‘coronavirussen’ zijn er vier soorten die, net als influenza- en rhino-virussen verkoudheidsklachten kunnen veroorzaken (CoV-229E, CoV-NL63, CoV-OC43, CoV-HKU). Drie soorten kunnen een ernstiger ziektebeeld geven (MERS-CoV, SARS-CoV, SARS-CoV-2).

 Classificatie van de orde van Nidovirales toegespitst op humane coronavirussen (klik op de afbeelding voor een vergroting).

Het bestaan van coronavirussen is dus al lang bekend. Op sociale media worden berichten geplaatst met video’s van oude medische boeken en krantenartikelen waarin het woord coronavirus wordt genoemd. Bij die berichten staat dan vermeld of er wordt mee gesuggereerd dat het ‘nieuwe coronavirus‘ (SARS-CoV-2) al veel langer onder ons is, het alleen maar verkoudheidsklachten veroorzaakt en dat we voor de gek worden gehouden. Twee voorbeelden:

  • In een Facebookpost staat een afbeelding van een artikel uit het ‘Agrarisch Dagblad‘ van 2 februari 1989 met de titel “Vaccin tegen coronavirus veroorzaakt nieuwe ziekten” [5]. Daar ging het echter om IBV, een gammacoronavirus dat bij kippen voorkomt.
  • Op YouTube staat een filmpje waarin pagina uit een medische encyclopedie uit 1989 worden getoond waarop staat dat een coronavirus alleen verkoudheidsklachten veroorzaakt [7]. Daar gaat het echter om de meer onschuldige coronavirussen waarvan inderdaad al lang bekend is dat ze verkoudheidsklachten veroorzaken. In 1989 waren SARS-CoV, MERS-CoV en SARS-CoV-2 nog niet bekend.

2. Het coronavirus zou afkomstig zijn uit een lab in Wuhan

Er zijn verschillende theorieën over de oorsprong van SARS-CoV-2. De meest gehoorde zijn:

  • Het virus is in China van dieren overgaan op mensen (zoönose).
  • Het virus is ontsnapt uit een laboratorium (laboratory escape).
  • Het virus is een biowapen dat ontwikkeld is in het ‘Wuhan National Biosecurity Laboratory‘.
  • Het virus wordt door 5G-frequenties verspreid.
  • Het virus bestaat niet.

Voor de onderste drie ontbreekt bewijs. De bovenste twee verdienen serieuze aandacht. Een internationaal team van de ‘World Health Organisation‘ (WHO) heeft daar dan ook onderzoek naar gedaan. Verschillende mogelijkheden zijn daarin onderzocht (zie onderstaande figuur).

In maart 2021 zijn de bevindingen gepubliceerd [14]. Daarin staat dat het onduidelijk is wat nu precies de oorsprong van het virus is. Meer onderzoek zou daarvoor zijn. Er wordt wel geconcludeerd dat een ontsnapping uit een laboratorium hoogst onwaarschijnlijk is [14]:

  • “Based on the arguments listed, the zoonotic introduction scenario was listed as possible to likely.”
  • “Based on the above arguments, the scenario including introduction through an intermediary host was
    considered to be likely to very likely.”
  • “The consensus was that given the level of evidence, the potential for SARS-CoV-2 introduction via
    cold/ food chain products is considered possible.”
  • “In view of the above, a laboratory origin of the pandemic was considered to be extremely unlikely.”

In juli 2021 heeft een internationale groep van 21 experts een review gepubliceerd waarin ook naar de oorsprong is gekeken [15]. Ook daar wordt aangegeven dat de oorsprong onduidelijk is. Net als de WHO wordt er geconcludeerd dat een ontsnapping uit een laboratorium hoogst onwaarschijnlijk is. Het meest waarschijnlijk is dat het virus in China van dieren naar mensen is overgegaan [15]:

“We contend that there is substantial body of scientific evidence supporting a zoonotic origin for SARS-CoV-2. While the possibility of a laboratory accident cannot be entirely dismissed, and may be near impossible to falsify, this conduit for emergence is highly unlikely relative to the numerous and repeated human-animal contacts that occur routinely in the wildlife trade. Failure to comprehensively investigate the zoonotic origin through collaborative and carefully coordinated studies would leave the world vulnerable to future pandemics arising from the same human activities that have repeatedly put us on a collision course with novel viruses.”

3. Het coronavirus zou nog nooit geïsoleerd zijn
Zie voorbeeld [16]

Wat onder ‘isoleren‘ wordt verstaan door mensen die beweren dat SARS-CoV-2 niet is geïsoleerd, is onduidelijk. Het isoleren (afzonderen) van een virus betekent in de virologie dat het virus bij de gastheer wordt afgenomen en buiten de gastheer wordt gekweekt in ‘levende‘ cellen. Bij SARS-CoV-2 is dat talloze keren gedaan en daar is uitvoerig over gepubliceerd [17-26].

Hoe wordt SARS-CoV-2 geïsoleerd?

Het isoleren van SARS-CoV-2 begint met het afnemen van een monster bij de patiënt. Dat kan met behulp van een neus- of keelswab, maar ook door speeksel, ontlasting of lavage te verzamelen (urine niet). Het monster wordt vervolgens gereed gemaakt om te kweken (groeien onder gecontroleerde omstandigheden). Bacteriën kunnen eenvoudig op kweek worden gezet door ze op een geschikte voedingsbodem te laten groeien. Bij virussen is dat lastiger omdat ze naast voeding een ‘levende‘ gastheercel nodig hebben om te kunnen groeien. Dat kan in levende laboratoriumdieren en kippenembryo’s, maar meestal worden daar cellijnen voor gebruikt. Dat zijn ‘levende‘ zoogdiercellen die onsterfelijk zijn en daardoor eeuwig kunnen blijven delen. Die cellen worden in een fles of schaaltje geplaatst en voorzien van een groeimedium, proteolytische enzymen (trypsine) en antibiotica waardoor er een ‘monolayer‘ van cellen ontstaat (celcultuur). Vervolgens worden de cellen geënt met het monster waardoor SARS-CoV-2 zich kan gaan vermeerderen. Bij het gebruik van dierlijke cellijnen kan gekozen worden voor Vero CCL-81, Vero E6 of Vero B4 (niercellen van een geel/groene meerkat) omdat die rijk zijn aan ACE2-receptoren [27]. Menselijke cellijnen waar SARS-CoV-2 op kan vermeerderen zijn Calu3 (longcellen), Caco2 (darmcellen), Huh7 (levercellen), 293T (niercellen) en U251 (zenuwcellen). Het kweken van SARS-CoV-2 in cellijnen mag alleen gebeuren in laboratoria met minimaal ‘Biosafety Level 3‘ (BSL3) [28].

Vervolgens kan met een elektronenmicroscoop het virus zichtbaar gemaakt worden, kan gekeken worden naar karakteristieke cytopathologische effecten (celabnormaliteiten door virale infectie) en kan het volledige genoom worden afgelezen. Het genoom kan vergeleken worden met andere bekende virussen waardoor achterhaald kan worden of er sprake is van een nieuw of al bekend virus. Het virus is dan geïsoleerd, krijgt een nummer en kan als ‘virus-isolaat‘ naar andere onderzoeksgroepen worden gestuurd voor verder onderzoek.

Elektronenmicroscopie van een enkel SARS-CoV-2 partikel aan het oppervlak van een Vero-cel in een ultradunne plastic sectie [26]. Rood = spike-eiwit, blauw = ribonucleoproteine (eiwit en RNA), geel = virus-enveloppe.

Het coronavirus voldoet niet aan de postulaten van Koch

De Duitse arts Robert Koch (1843-1910) is de grondlegger van de microbiologie. Het Duitse ‘Robert Kocht Instituut‘ (RKI), een autoriteit op het gebied van infectieziekten, is naar hem vernoemd. Hij ontdekte dat bacteriën de veroorzakers waren van miltvuur (Bacillus anthracis) cholera (Vibrio cholerae) en tuberculose (Mycobacterium tuberculosis). Om te bewijzen dat een pathogeen een bepaalde ziekte veroorzaakt heeft hij in 1890 vier postulaten (criteria) gepresenteerd op het ‘International Congress of Medicine‘ in Berlijn:

  1. Het micro-organisme moet in grote hoeveelheden voorkomen in zieke organismen (mens, dier of plant), maar niet in gezonde organismen.
  2. Het micro-organisme moet kunnen worden gekweekt.
  3. Het gekweekte micro-organisme moet in staat zijn om bij gevoelige maar gezonde proefdieren de ziekte te veroorzaken.
  4. Uit het zieke proefdier moet opnieuw het micro-organisme geïsoleerd kunnen worden, dat hetzelfde moet zijn aan het eerder gekweekte micro-organisme.

Er wordt weleens gezegd dat SARS-CoV-2 niet de ziekteverschijnselen (COVID-19) veroorzaakt omdat niet voldaan is aan de Kochse postulaten. Aan de belangrijkste postulaten voor het aantonen van causaliteit is echter voldaan [29]:

“Although it has been determined by bioinformatics that the pathogen that causes this epidemic is a novel coronavirus, it is necessary that this is confirmed by animal experiments (following Koch’s postulates)7. Previous clinical studies have confirmed the isolation of the virus from hosts with the disease and cultivation in host cells1. Here we show that, after the experimental infection of hACE2 mice with one of the earliest known isolates of SARS-CoV-2, our mouse model of SARS-CoV-2 infection exhibits viral replication in the lungs characterized by moderate interstitial pneumonia—similar to initial clinical reports of pneumonia caused by SARS-CoV-28. Moreover, we also observed specific antibodies against SARS-CoV-2 and re-isolated the virus from infected mice.”

“Our results demonstrate the pathogenicity of SARS-CoV-2 in mice, which—together with previous clinical studies1—completely satisfies Koch’s postulates7 and confirms that SARS-CoV-2 is the pathogen responsible for COVID-19.”

De Kochse postulaten zijn echter niet waterdicht en dat ontdekte Koch zelf ook. Hij was er bijvoorbeeld (terecht) van overtuigd dat lepra en cholera door micro-organismen werden veroorzaakt, maar dat kon hij niet bewijzen aan de hand van zijn vier postulaten. Verder kon hij de bacterie die cholera veroorzaakt (Vibrio cholerae) zowel bij zieke als gezonde mensen aantonen. Dat strookt niet met zijn eerste postulaat. Een andere beperking is dat de postulaten gericht zijn op bacteriën. Virussen en DNA waren toen immers nog niet bekend en er waren nog geen elektronenmicroscopen om virussen te kunnen waarnemen. Bij virussen (en soms ook bij bacteriën en andere micro-organismen) is het niet altijd mogelijk om aan alle postulaten te voldoen:

  • Veel virussen veroorzaken niet bij alle geïnfecteerde personen ziekteverschijnselen (denk aan asymptomatische mensen).
  • Detectiemethoden zijn zo gevoelig waardoor virussen kunnen worden gevonden zonder aanwezigheid van ziekteverschijnselen.
  • Een infectie met hetzelfde virus kan verschillende ziekteverschijnselen veroorzaken, terwijl verschillende virussen dezelfde ziekteverschijnselen kunnen veroorzaken.
  • Er zijn virussen die zich niet laten vermeerderen in een celkweek, of waarvoor geen geschikt diermodel bekend is.

De postulaten van Koch hebben een grote bijdrage geleverd aan de kennis over infectieziekten en de bestrijding ervan, maar worden tegenwoordig als achterhaald gezien. Er circuleren vanaf 1937 ook al herziene versies [30]. Nu, ruim 100 jaar later, is er nieuwe kennis en zijn er moderne technieken, waaronder genoom-sequencing, om ziekteverwekkers te achterhalen. Het strikt moeten voldoen aan de Kochse postulaten om causaliteit aan te tonen is daarmee komen te vervallen. Om te kunnen spreken over causaliteit is wat betreft SARS-CoV-2 het volgende aangetoond:

  1. Het volledige genoom van het virus is gesequenced, waardoor duidelijk is dat het om een betacoronavirus gaat [25]. Het RNA-genoom biedt een manier om de evolutionaire lijnen naar andere coronavirussen te achterhalen.
  2. Het virus is gekweekt en geïsoleerd in menselijke cellen en zichtbaar gemaakt onder een elektronenmicroscoop [17-26].
  3. Celkweekstudies hebben aangetoond dat het virus schade kan toebrengen aan de menselijke cellen (cytopathologisch effect) [31, 32].
  4. Het gekweekte virus kan dieren infecteren en ziekteverschijnselen veroorzaken [29, 33].
  5. Na infectie worden er specifieke antigenen aangetoond [34].
  6. Vaccins gericht tegen het virus zijn effectief (zie figuur) [35].

4. COVID-19 zou hetzelfde zijn als griep
Zie voorbeeld [36]

COVID-19 wordt veroorzaakt door SARS-CoV-2 en griep (influenza) door het griepvirus. Er zijn verschillende overeenkomsten tussen die twee virussen, waaronder:

  • Klachten: koorts, hoesten, benauwdheid, keelpijn, loopneus, spierpijn.
  • Complicaties: longontsteking, ademhalingsproblemen, secundaire bacteriële infecties.
  • Risicogroepen: Ouderen en mensen met onderliggende aandoeningen.
  • Verspreiding: Via druppels door hoesten en niezen.

Maar er zijn ook duidelijke verschillen waaruit blijkt dat COVID-19 niet hetzelfde is als griep.

IFR en CFR van COVID-19 en griep

COVID-19 en griep zouden in ernst niet van elkaar verschillen, waardoor alle ophef over de coronapandemie en de bijbehorende maatregelen onnodig zouden zijn. Een argument daarvoor is de ‘Infection Fatality Rate‘ (IFR) die hetzelfde zou zijn als griep. Belangrijk hierbij is om een onderscheid te maken tussen IFR en CFR (zie figuur 1):

  • De ‘Infection Fatality Rate‘ (IFR) is een schatting van het deel van de geïnfecteerde mensen dat eraan sterft.
  • De ‘Case Fatality Rate‘ (CFR) is een schatting van het deel van bevestigde gevallen (diagnose griep of COVID-19) dat eraan sterft. De CFR is dus altijd hoger dan de IFR.

Figuur 1: Verschil tussen CFR en IFR.

 

De IFR 
De IFR is sterk afhankelijk van verschillende factoren, waaronder leeftijdsopbouw, kwaliteit van de zorg, vaccinatiegraad, erfelijke factoren en gezondheidsstatus. Dat betekent dat de IFR voor dezelfde infectie sterk kan verschillen tussen landen, leeftijdsgroepen, periode, etc. De IFR is dus geen eigenschap maar een virus en er is niet één IFR voor SARS-CoV-2. Je komt dan ook verschillende cijfers tegen die je niet altijd (goed) met elkaar kunt vergelijken. De bruikbaarheid ervan is daarom beperkt.

De IFR van SARS-CoV-2
In Nederland werd van maart tot juni 2020 de IFR van SARS-CoV-2 op 1-1,3% geschat [37]. Op sociale media en in de wetenschappelijke literatuur kom je ook een IFR van 0,15% tegen. Dit is gebaseerd op een review waarin op basis van zes ‘systematic reviews‘ de ‘global IFR‘ is berekend [38]. Een probleem aan de review is dat er ook populaties in zijn meegenomen die niet representatief zijn voor het land waarin ze wonen (bijvoorbeeld bloeddonoren). Daardoor wordt het aantal geïnfecteerde mensen overschat en de IFR onderschat. Dit wordt ook min of meer aangegeven [38]:

“No consensus existed on studies of blood donors, clinical samples, workers at no obvious high- risk occupations and various convenience samples; these designs have variable reliability. Reliability increases with careful adjustment for sampling, demographics and other key factors and when missing data are limited. General population sampling is theoretically best, but general population studies may still suffer large bias from selective missingness”

In de periode maart 2020 – februari 2021 zijn in Nederland 24.242 mensen overleden aan COVID-19 en 2.814 mensen vermoedelijk aan COVID-19. Bij een IFR van 0,15 en uitgaande van 24.242 doden zou dat betekenen dat er in die periode 16 miljoenen mensen geïnfecteerd zouden zijn geweest. Dat was natuurlijk niet zo. Bovendien zegt de ‘global IFR‘ niet zoveel, omdat die zo sterk tussen landen kan verschillen en dynamisch is. Een systematic review met meta-analyse waarin alleen gekeken is naar studies met een laag risico op bias laat een IFR van 0,76 zien (zie onderstaande figuur) [39]. In de Nederlandse situatie zou dat betekenen dat 2,4 miljoen mensen met SARS-CoV-2 geïnfecteerd zijn geweest. Dat is in lijn met het PIENTER-onderzoek van het RIVM waar in februari een seroprevalentie van ruim 12% wordt gevonden (exclusief vaccinatie) [40]. Dat zou neerkomen op 2,2 miljoen mensen.

 

Meta-analyses van de IFR van een SARS-CoV-2-infectie, naar mate van bias [39].

De IFR van het griepvirus
Voor het griepvirus weten de IFR niet omdat die niet wordt bijgehouden. Mensen die geïnfecteerd zijn met het griepvirus komen pas in beeld wanneer ze er ziek door worden. Een schatting is dat de IFR van het griepvirus tussen de 0,02-0,05% is [41].

De CFR
Wanneer gesproken wordt over de CFR gaat het om het aantal doden van de mensen met de diagnose COVID-19 of griep. Net als bij de IFR is ook de CFR van verschillende factoren afhankelijk. Mensen met asymptomatische klachten worden hierbij niet meegenomen. Een gegeven is dat de CFR altijd hoger is dan de IFR omdat het aantal doden nooit meer kan zijn dan het aantal geïnfecteerde.

De CFR van COVID-19
De CFR van COVID-19 werd op februari en maart 2020 op basis van een studie met 82 landen geschat op 4,2% [42]. In Nederland werd in september 2020 een CFR van 5,9 gevonden, maar door de lage testincidentie en het aantal testen per bevestigde persoon is dat waarschijnlijk een overschatting [37].

De CFR van griep
De CFR van de seizoensgriep kan sterk variëren en wordt gemiddeld op 0,1% geschat [43].

Overzicht van het verloop van de CFR van COVID-19 in 10 verschillende landen en wereldwijd gezien [44].

Leeftijdspecifieke CFR’s van COVID-19 in zeven verschillende landen [45]. Zie ook volledige tabel.

Ziekenhuisopname COVID-19 versus griep

In een retrospectieve studie is gekeken naar verschillen tussen COVID-19 en griep wat betreft ziekenhuisopname in Frankrijk [46]. Voor COVID-19 is er gekeken van 1 maart tot 30 april 2020 en voor griep van 1 december tot 28 februari 2019. In totaal kwamen er 89.530 patiënten met COVID-19 in het ziekenhuis en 45.819 met griep. De gemiddelde leeftijd verschilde niet veel (68-71 jaar). Patiënten met COVID-19 hadden vaker overgewicht/obesitas, diabetes mellitus type II, hypertensie, dyslipidemie dan patiënten met griep. Patiënten met griep hadden daarentegen vaker hartfalen, chronische longziekten, levercirrose en anemie. Het sterftepercentage was het hoogst bij patiënten met COVID-19 (16,9 versus 5,8%). De auteurs concluderen [46]:

“In conclusion, significant differences exist between patients with COVID-19 and seasonal influenza requiring hospitalisation. SARS-CoV-2 appears to have a higher potential for respiratory pathogenicity, leading to more respiratory complications in patients with fewer comorbidities, and it is associated with a higher risk of mortality, particularly in adolescents, although any conclusions for this age group must be treated with caution considering the small number of deaths. These findings were confirmed even after we considered the constraints linked to the sudden influx of patients during the epidemic.”

Oversterfte COVID-19 versus griep

Een manier om de ernst van een crisis in uit te drukken is door naar de oversterfte te kijken. Het ‘Centraal Bureau voor de Statistiek‘ (CBS) heeft de oversterfte tijdens de griepepidemie van 2017/2018 vergeleken met die van de eerste golf van de corona-epidemie [47]. Onder oversterfte werd verstaan:

Oversterfte is een tijdelijke, bijzondere stijging van het aantal overledenen die samenvalt met een bijzondere gebeurtenis, zoals een griepepidemie, hittegolf of corona-epidemie. Het CBS spreekt van oversterfte wanneer het waargenomen aantal overledenen significant hoger is dan het verwachte aantal overledenen in dezelfde periode. In dit artikel gaat het om oversterfte gedurende de totale (griep/corona)epidemie. Er wordt niet gekeken naar significantie.

Hierbij is rekening gehouden met het verschil in duur. De eerste golf van de coronaepidemie duurde namelijk negen weken, terwijl de griepepidemie van 2017/2018 achttien weken aanhield. De conclusie was dat de relatieve oversterfte tijdens de eerste golf van de coronaepidemie bijna dubbel zo hoog was (34 versus 17%) [47]:

“De griepepidemie van 2017/’18 en de eerste golf van de corona-epidemie in 2020 lijken op het eerste gezicht veel op elkaar: een vergelijkbaar aantal qua oversterfte en een toenemende zorgvraag die leidde tot capaciteitsproblemen. Toch zijn er ook duidelijke verschillen. De corona-epidemie ging gepaard met ingrijpende maatregelen om verspreiding van besmetting te voorkomen, terwijl voor een griepepidemie een deel van de bevolking wordt gevaccineerd. Daarnaast hield de griepepidemie in 2017/’18 achttien weken aan, terwijl de eerste golf van de corona-epidemie negen weken duurde. De oversterfte tijdens de eerste golf van de corona-epidemie was daardoor in relatieve zin bijna dubbel zo hoog als tijdens de griepepidemie. In vergelijking met de griepepidemie overleden tijdens de corona-epidemie meer jongere mensen en meer mannen, was de oversterfte meer geconcentreerd in bepaalde provincies en was de sterfte onder Wlz-zorggebruikers sterker verhoogd.”

Langetermijneffecten van COVID-19

Bij COVID-19 draait het niet alleen om sterfte. Verschillende mensen, zowel jong en oud, gezond en ziek blijven na het doormaken van COVID-19 klachten houden. Bij griep zien we dat niet. Een systematic review met meta-analyse laat zien dat 80% van de mensen waarbij de diagnose COVID-19 was gesteld na 14-110 dagen nog klachten had [48]. Vermoeidheid (58%), hoofdpijn (44%), aandachtsstoornis (27%), haarverlies (25%) en kortademigheid (24%) stonden in de top 5. Een andere studie laat zien dat meer dan 66% van de mensen die ‘Acute respiratory distress syndrome‘ (ARDS) hadden overleefd, na één jaar nog vermoeidheidsklachten had [49].

Langetermijneffecten (14-110 dagen) van COVID-19 [48].

Wanneer de klachten na het doormaken van COVID-19 langer dan vier weken duren spreekt men van ‘Long COVID‘ [50, 51]. Dit komt relatief vaak voor, zowel bij mensen waarbij de ziekte mild verliep, als bij mensen waarbij de ziekte ernstig verliep [52]. Het vervelende is dat we niet goed kunnen voorspellen wie daar last van gaat krijgen. Het RIVM is zelf bezig met een onderzoek om de langetermijneffecten van COVID-19 in kaart te brengen (LongCOVID-onderzoek) [53].

Schattingen zijn dat 20% na een positieve test nog langdurig klachten houdt [54]. Wat betekent dat? In 2020 waren er ruim 11,2 miljoen volwassen Nederlanders (20-70 jaar). Wanneer die allemaal COVID-19 zouden krijgen betekent dat, dat 2,24 miljoen mensen last krijgen van langdurige klachten. Een studie uit het Verenigd Koninkrijk laat wat positievere cijfers zien [55]. Afhankelijk van de manier van meten had 3 tot en met 11,7% na COVID-19 nog klachten (respectievelijk rapportage van specifieke klachten en zelfclassificatie van Long COVID). Tussentijdse resultaten van het LongCOVID-onderzoek van het RIVM onder 1.741 deelnemers laten zien dat bijna 90% ervan de impact als groot tot zeer groot ervaart [56]:

“Bijna 90% van de ondervraagden met langdurige klachten in het LongCOVID-onderzoek geeft aan dat de impact van de langdurige klachten groot tot zeer groot is. Zo’n 34% van de deelnemers geeft op het moment invullen van de vragenlijst aan momenteel niet meer te kunnen werken door de langdurige klachten na een coronabesmetting. Voor 46% van deze deelnemers geldt dat zij minder kunnen werken dan gewoonlijk door de langdurige klachten.”

In een retrospectieve studie is gekeken naar de aanwezigheid van langdurige klachten (tot 6 maanden) na COVID-19 vergeleken met die van griep [57]. Beide groepen bestonden uit meer dan 100.000 deelnemers en waren bij aanvang gematcht op 58 covariabelen. Zowel het totaal aan klachten als alle negen individuele klachten waarnaar gekeken is (vermoeidheid, cognitieve symptomen, ademhalingsproblemen, borst/keelpijn, pijn, spiepijn, angst/depressie, buikklachten, hoofdpijn) kwamen vaker voor na COVID-19.

Langdurige klachten na COVID-19 en griep bij twee gematchte groepen over 6 maanden (A) en na 3-6 maanden (B) [57].

Hazard ratio’s op negen individuele langdurige klachten na COVID-19 (rode lijn) vergeleken met griep (grijze lijn, HR 0,0) bij twee gematchte groepen over 6 maanden (C) en na 3-6 maanden (D) [57]. *** = significant verschil (p<0,05).

Stollingsproblemen

Bij patiënten met een matige tot ernstige vorm van COVID-19 (bijvoorbeeld die op de intensive care liggen) komen relatief vaak stollingsproblemen voor, met name in de longen, maar ook in andere organen (lever en nieren) [58-62]. Dit zien we minder bij griep [63, 64]. In een Nederlandse studie is gekeken naar de incidentie van arteriële veneuze trombosecomplicaties bij ziekenhuispatiënten met COVID-19 en griep [63]. Er was duidelijk te zien dat bij patiënten met COVID-19 vaker trombosecomplicaties voorkwamen dan bij patiënten met griep (zie onderstaande figuur). Een Amerikaanse studie laat een vergelijkbaar beeld zien [64].

Samenvatting van een Nederlandse studie waarin COVID-19 is vergeleken met griep wat betreft trombosecomplicaties [63].

Er is een mechanisme bekend dat voor het bovenstaande waarschijnlijk (mede)verantwoordelijk is. Neutrofielen spelen daarin een belangrijke rol. COVID-19 kan namelijk leiden tot een bovenmatige immuunrespons waarbij het aantal neutrofielen toeneemt. Neutrofielen zijn een type witte bloedcel die virussen onschadelijk kunnen maken met zogenaamde ‘Neutrophil Extracellular Traps’ (NET’s). Deze vormen een soort web dat bestaat uit draden DNA met histonen en andere eiwitten. Deze NET’s immobiliseren het virus, beperken de verspreiding ervan en zorgen ervoor dat antimicrobiële eiwitten het virus kunnen opruimen [621]. Een overmatige productie van deze NET’s, of een te trage verwijdering ervan is echter schadelijk voor de bloedvaten en kan bloedvaten afsluiten. Met name organen met een rijke doorbloeding, zoals longen, nieren en lever, kunnen daar schade van ondervinden. Resten van deze NET’s worden in grote hoeveelheden aangetroffen in het bloed van patiënten met ernstige COVID-19 [65, 66]. Een toename van neutrofielen en de vorming van NET’s wordt overigens ook bij griep gevonden. Dat is niet verwonderlijk want het behoort tot een mechanisme van het aangeboren immuunsysteem om virussen op te ruimen.

5. COVID-19 zou niet in groep A thuishoren
Zie voorbeeld [67]

Er zijn infectieziekten die zo ernstig zijn waardoor ze meldingsplichtig zijn. Die ziekten worden ingedeeld in groepen (A, B1, B2, C) gebaseerd op de mate waarin maatregelen opgelegd kunnen worden[68]:

  • Groep A
    Mogelijk wettelijke maatregelen: gedwongen opname tot isolatie of thuisisolatie, gedwongen onderzoek, gedwongen quarantaine (inclusief medisch toezicht), verbod van beroepsuitoefening.
  • Groep B1
    Mogelijk wettelijke maatregelen: gedwongen opname tot isolatie of thuisisolatie, gedwongen onderzoek, verbod op beroepsuitoefening.
  • Groep B2
    Mogelijk wettelijke maatregelen: verbod op beroepsuitoefening.
  • Groep C
    Dwingende maatregelen kunnen niet opgelegd worden. Maar melding en persoonsgegevens zijn nodig om de inzet van vrijwillige/te adviseren maatregelen rondom de patiënt of anderen in de gemeenschap mogelijk te maken.

Op 28 januari 2020 is op grond van artikel 20 ‘Wet publieke gezondheid‘ door de toenmalige minister voor Medische Zorg en Sport SARS-CoV-2 in groep A ingedeeld. Dit vastgelegd in artikel 1, ‘Regeling 2019-nCoV‘ [69].

Groep AGroep B1Groep B2Groep C
COVID-19
MERS-CoV
Pokken
Polio
SARS
Virale hemorragische koorts
Difterie
Influenza
Pest
Rabiës
Tuberculose
Buiktyfus
Cholera
Groep A-streptokokkeninfectie
Hepatitis A
Hepatitis B
Hepatitis C
Kinkhoest
Mazelen
Paratyfus
Rodehond
Salmonellose
STEC-infectie
Shigellose
Antrax
Bof
Botulisme
BRMO
Brucellose
Creutzfeldt-Jakob
Gele koorts
Haemophilus influenzae type b-infectie
Hantavirusinfectie
Legionellose
Leptospirose
Listeriose
Malaria
Meningokokken-meningitis en -sepsis
Pneumokokkenziekte
Psittacose
Q-koorts
Staphylococcus aureus-infecties
Tetanus
Trichinellose
Tularemie
Westnijlvirusinfectie

Overzicht van meldingsplichtige infectieziekten per groep (A, B1, B2, C) [70].

COVID-19 staat dus in dezelfde groep als MERS-CoV, pokken, polio, SARS en virale hemorragische koortsen zoals ebola. In ernst zou COVID-19 daar echter niet bij die andere virussen de buurt komen, waardoor het niet in groep A zou thuishoren. Ebola heeft bijvoorbeeld een CFR van 50%, terwijl COVID-19 de 5% niet haalt. Er wordt zelfs een ‘global IFR‘ van 0,15 gevonden, hoewel dat percentage niet realistisch is (zie punt 2: COVID-19 zou hetzelfde zijn als griep) [38]. Dat percentage wordt overigens wel aangehaald om het met ebola te vergelijken. Overigens is in Nederland de IFR van ebola 0 (0 doden en 0 geïnfecteerden). Ebola zou dus ook niet in groep A thuishoren.

Een hoge CFR kunnen een virus echter minder gevaarlijk voor de samenleving maken. Mensen met ebola worden namelijk al snel erg ziek en de kans dat ze eraan sterven is groot, waardoor de kans op verspreiding sterk afneemt. Een virus met een hoge CFR (ebola) dat regionaal blijft kan zo tot minder doden leiden dan een virus met een relatief lage CFR (COVID-19) dat pandemische vormen aanneemt. Een ander verschil is dat ebola alleen via direct lichamelijk contact overgebracht kan worden en niet via de lucht. Dat maakt dat de ziekte zeldzaam is en het aantal doden bij een uitbraak relatief klein is. Ondanks de lagere CFR heeft COVID-19 tot veel meer doden geleid dan alle ebola-uitbraken bij elkaar.

Uiteindelijk gaat het echter om de gevolgen (verspreiding, ziekenhuisopnamen, doden) en de maatregelen die nodig zijn om die te beteugelen. Het is niet zo dat de indeling van infectieziekten gebaseerd is op de grootte van de CFR. Rabiës heeft een CFR van praktisch 100%, maar staat ingedeeld in groep B1 [71]. En Lassakoorts staat in groep A, maar heeft een CFR van 1% [72]. Een gegeven is dat COVID-19, ondanks de relatief lage CFR gezorgd heeft voor een pandemische verspreiding, een groot aantal doden, een tekort aan IC- en zorgcapaciteit en een noodzakelijke afschaling van de reguliere zorg. De vraag is bovendien wat de CFR van COVID-19 is zonder vaccinatie en behandeling in het ziekenhuis. Dat zijn argumenten om COVID-19 in groep A te plaatsen.

6. Met een wattenstaafje in de neus om te testen op het coronavirus zou je de hersenen raken
Zie voorbeeld [73]

Op de afbeelding is geen coronatest met een wattenstaafje te zien, maar een transsfenoïdale operatie via de neusholte om een tumor rond de hypofyse te verwijderen. Daarvoor is het nodig om een opening te maken in de benige achterwand van de neus en in de onderkant van het Turks zadel (zie afbeelding). Met een wattenstaafje is dat niet mogelijk.

Bij een coronatest via de neus wordt met een wattenstaafje de onderkant van de neusholte gevolgd [74]. Dan kom je niet bij de hersenen uit (zie afbeelding). Wil je de hersenen bereiken dan zul je hoger in de neusholte moeten zijn, maar dan kom je het zeefbeen tegen. Dat is een bot met kleine openingen waar de reukzenuwen doorheen lopen. Een wattenstaafje komt daar niet doorheen. Anatomisch gezien kun je met een wattenstaafje de hersenen dus niet bereiken.

7. Bij een antigeen zelftest zou de gebruiker zelf kunnen kiezen voor een positieve of negatieve testuitslag
Zie afbeelding

Op de afbeelding zijn controle-wattenstaafjes voor zorgprofessionals te zien en niet voor de gebruiker zelf om de test mee uit te voeren [75, 76]. Die controle-wattenstaafjes zitten ook alleen in de 25-stuks verpakking.

“External Controls may be used to demonstrate that the reagents and assay procedure are perform correctly. A Positive Control Swab and Negative Control Swab are included as External Controls. Positive and Negative Control Swabs can be used once for an untrained operator and may be necessary by your internal quality control procedures.” [75]

8. Het percentage positief geteste mensen zou zijn gedaald, terwijl het RIVM een stijging rapporteerde
Zie voorbeeld [77]

De cijfers die worden genoemd zijn fictief, zonder enige bronvermelding. Het percentage positieve testen zou volgens die rekensom van 4% (week 26) gedaald zijn naar 2,5% (week 27). Een afname van 1,5%. Het RIVM vermeldt iedere week keurig verschillende soorten cijfers. Het percentage positieve testen, wordt ook vermeld. In week 26 was dat 4,6% (154.534 testen, waarvan 7.148 positief) en in week 27 is dat gestegen naar 13,4% (370.997 testen, waarvan 49.833 positief, zie onderstaande tabel) [78]. Een stijging dus van 8,8% in plaats van een daling van 1,5%.

9. De PCR-test zou geen onderscheid kunnen maken tussen het coronavirus en griep
Zie voorbeeld [79]

De PCR-testen die gebruikt worden kunnen alleen SARS-CoV-2 detecteren en geen griep. De test is daar bewust voor ontworpen (zie ook punt 2) en wordt internationaal als de gouden standaard beschouwd [80]. Dat betekent dat iemand met griep niet positief op SARS-CoV-2 zal worden getest, zoals wordt gesuggereerd. De specifieke RNA-sequenties waarop de PCR-testen voor het coronavirus ontworpen zijn, zijn namelijk niet terug te vinden in het griepvirus.

10. Het CDC zou volgend jaar de PCR-test niet meer gaan gebruiken vanwege de hoge onbetrouwbaarheid
Zie voorbeeld [81]

Aanleiding hiervoor was een ‘Lab Alert‘ van het CDC (Centers for Disease Control and Prevention) die op 21 juli 2021 gepubliceerd werd [82]:

“After December 31, 2021, CDC will withdraw the request to the U.S. Food and Drug Administration (FDA) for Emergency Use Authorization (EUA) of the CDC 2019-Novel Coronavirus (2019-nCoV) Real-Time RT-PCR Diagnostic Panel, the assay first introduced in February 2020 for detection of SARS-CoV-2 only. CDC is providing this advance notice for clinical laboratories to have adequate time to select and implement one of the many FDA-authorized alternatives.”

“In preparation for this change, CDC recommends clinical laboratories and testing sites that have been using the CDC 2019-nCoV RT-PCR assay select and begin their transition to another FDA-authorized COVID-19 test. CDC encourages laboratories to consider adoption of a multiplexed method that can facilitate detection and differentiation of SARS-CoV-2 and influenza viruses. Such assays can facilitate continued testing for both influenza and SARS-CoV-2 and can save both time and resources as we head into influenza season. Laboratories and testing sites should validate and verify their selected assay within their facility before beginning clinical testing.”

De PCR-test waar het hier om gaat (CDC 2019-Novel Coronavirus (2019-nCoV) Real-Time Reverse Transcriptase (RT)-PCR Diagnostic Panel) had in december 2020 een ‘Emergency Use Authorization‘ gekregen van de FDA (Food and Drug Administration) [83]. Dat is een versnelde autorisatie voor gebruik in noodgevallen. De CDC heeft in dat ‘Lab Alert‘ aangekondigd dat ze die autorisatie-aanvraag voor volgend jaar terugtrekken. Tot het einde van het jaar mag die PCR-test nog gebruikt worden, maar daarna niet meer.

In het ‘Lab Alert‘ staat niet dat de betreffende PCR-test onbetrouwbaar is. Het CDC zoekt naar alternatieve testen (dat kunnen ook PCR-testen zijn) die zowel SARS-CoV-2 als influenza (en varianten) in één test kunnen detecteren (multiplexed). Een voordeel daarvan is dat je ook meteen weet of iemand wel of geen griep heeft [82]:

“CDC encourages laboratories to consider adoption of a multiplexed method that can facilitate detection and differentiation of SARS-CoV-2 and influenza viruses. Such assays can facilitate continued testing for both influenza and SARS-CoV-2 and can save both time and resources as we head into influenza season.”

Zie bijvoorbeeld de ‘CDC Flu SC2 Multiplex Assay‘ (naast velen anderen). Dit is een PCR-test die naast het coronavirus ook griep kan detecteren [84]:

“The CDC Influenza SARS-CoV-2 (Flu SC2) Multiplex Assay is a real-time reverse-transcription polymerase chain reaction (RT-PCR) test that detects and differentiates RNA from SARS-CoV-2, influenza A virus, and influenza B virus in upper or lower respiratory specimens.”

11. De PCR-test zou spike-eiwitten kunnen detecteren
Zie voorbeeld [85]

Een PCR-test detecteert en vermenigvuldigd vervolgens stukjes viraal RNA. Dat kunnen verschillende stukjes (targetgenen) zijn, die coderen voor verschillende onderdelen van het virus:

  • Spike-eiwit (S-gen)
  • RNA-dependent RNA polymerase (RdRP-gen)
  • Enveloppe (E-gen)
  • Nucleocapside (N-gen)

Het gen voor het spike-eiwit wordt niet als target gebruik [86]:

“De PCR-testen voor SARS-CoV-2 in Nederland zijn oorspronkelijk gericht op twee targets: het E-gen en het RdRP-gen (Corman 2020). Met de ervaring die daarmee is opgedaan, hebben de meeste laboratoria ervoor gekozen om alleen nog voor het meest gevoelige E-gen te testen, ook in verband met schaarste van materialen. “

Dat betekent dat de PCR-test die spike-eiwitten niet zal detecteren. Maar er is nog iets anders. Via het spike-eiwit kan het coronavirus de lichaamscel van de gastheer binnendringen. Het spike-eiwit bevat zelf bevat geen RNA. In de mRNA-vaccins zitten stukjes mRNA die coderen voor het spike-eiwit. Het lichaam wordt daarmee aangezet tot de productie van deze spike-eiwitten en uiteindelijk antistoffen. Het mRNA zelf wordt niet vermenigvuldigd. In de mRNA-vaccins zit overigens maar heel weinig mRNA dat na te zijn afgelezen (translatie) snel afgebroken. Je zult dus geen positieve testuitslag krijgen door alleen de aanwezigheid van de spike-eiwitten, ook al zou het S-gen het target-gen van de PCR-test zijn.

12. De spike-eiwitten die door mRNA-vaccins worden geproduceerd zouden giftig zijn
Zie voorbeeld [87]

De vaccins van BioNTech/Pfizer en Moderna zijn mRNA-vaccins. Dat zijn vaccins die een stukje viraal RNA bevatten met de instructie om het spike-eiwit te maken. Het immuunsysteem reageert op die spike-eiwitten met het maken van afweercellen en antistoffen. Wanneer iemand die gevaccineerd is met een dergelijk vaccin in aanraking komt met het coronavirus is het lichaam daarop voorbereid en kunnen de afweercellen en antistoffen het virus bestrijden. Wanneer die spike-eiwitten giftig zijn, zouden die vaccins het lichaam aanzetten tot het maken van gifstoffen. De studies die dat zouden aantonen doen dat echter niet.

Het idee dat de spike-eiwitten giftig zijn is verspreid door de Canadese professor virale immunologie Byram Bridle. Hij vertelde dat in een interview in het radioprogramma ‘On Point‘ van het Canadese radiostation ‘Global News‘ met Alex Pierson [88]. De spike-eiwitten zouden onder andere in de bloedbaan terecht komen en de bloedvaten en hersenen beschadigen.

Verspreiding van het vaccin in het lichaam

De opname van een mRNA-vaccin gebeurt met name door immuuncellen (macrofagen, dendritische cellen) rond de injectieplaats en afvoerende lymfevaten. Daar blijft het ook voornamelijk. Een klein deel wordt gevonden in andere organen zoals de lever. De bewering dat de spike-eiwitten in de bloedbaan komen is voor een belangrijk deel gebaseerd op een pilot-studie met dertien deelnemers waarin na de eerste vaccinatie met een mRNA-vaccin (Moderna) bij elf deelnemers delen van het spike-eiwit (S1) in het bloed zijn gevonden [89]. Het spike-eiwit bestaat namelijk uit twee subunits: S1 en S2. Deze delen waren na dag één en tot en met dag veertien detecteerbaar, daarna niet meer. De concentratie S1 was bovendien erg laag met een gemiddelde piek van 68 pg/ml. Het spike-eiwit werd in drie van de dertien deelnemers gevonden met een gemiddelde piek van 62 pg/ml. Na de tweede vaccinatie konden de onderzoekers geen S1 of spike-eiwit meer in het bloed meer detecteren. Zoals verwacht nam na de eerste vaccinatie de hoeveelheid antistoffen tegen S1 en het spike-eiwit toe. Als mogelijke verklaring veronderstellen de onderzoekers dat de immuunrespons afweercellen doodt die het spike-eiwit presenteren (antigeen presenterende cellen), waardoor die in de bloedbaan terecht komen. De auteurs geven aan dat onduidelijk is was deze bevindingen nu precies betekenen [89]:

“The clinical relevance of this finding is unknown and should be further explored. “

Illustratie van het spike-eiwit met de subunits (S1 en S2) en het ‘Receptor Binding Domein’ (RBD). S2 is gehecht aan het membraan van SARS-CoV-2 en S2 bevat het RBD waarmee het virus de ACE-receptor van een lichaamscel herkent om binnen te kunnen treden.

Er wordt ook verwezen naar een Japans rapport. Daarin is gekeken naar de farmacokinetiek van het BionTech/Pfizer-vaccin [90]. Daaruit zou volgens Bridle blijken dat de spike-eiwitten zich in het lichaam verspreiden en ophopen in de lever, milt, het beenmerg, bijnieren en eierstokken. Dit baseert hij op een distributiestudie in 21 ratten, die deel uitmaakt van dat rapport. Deze studie is overigens ook meegenomen door het EMA voor de tijdelijke goedkeuring van het vaccin [91]. In deze studie is echter niet gekeken naar de distributie van spike-eiwitten, maar van lipiden die in het vaccin zitten. De ratten kregen daarvoor het mRNA met de radioactief gelabelde lipiden ALC-0159 (aminolipide) en ALC-0315 (PEG-lipide) in suprafysiologische dosis (50 μg) intramusculair geïnjecteerd. Vervolgens is gedurende 48 uur na de injectie de distributie van die lipiden gevolgd. De lipiden werden met name aangetroffen rond de injectieplaats, maar ook in de lever en milt en in kleinere hoeveelheden in andere organen (zie tabel). Over de aanwezigheid van spike-eiwitten kunnen geen uitspraken worden gedaan.

Beschadigt het spike-eiwit de bloedvatwand?

Er zijn studies, in de context van COVID-19, die aanwijzingen laten zien dat het spike-eiwit en S1 de bloedvatwand kan beschadigen [92-95]. Die studies kunnen mogelijk een bijdrage leveren aan het verklaren van de gezondheidsproblemen die bij COVID-19 en ‘Long COVID‘ optreden. De studies zijn echter prematuur en niet zomaar te vertalen naar de situatie van vaccineren met een mRNA-vaccin. Een paar voorbeelden:

  • In één studie werden delen van het SARS-CoV-2-virus teruggevonden in de hersenen van dertien overleden COVID-19-patiënten, waaronder het spike-eiwit [94]. De vraag is wat dat betekent. De onderzoekers hebben vervolgens S1 en S2 in relatief hoge doses direct in muizen geïnjecteerd, waarbij S1 tot ontstekingen en neurologische veranderingen leidde (dorst, stressgedrag). De concentratie van S1 was 4 µg/ml, wat bijna 60.000 keer hoger was dan werd aangetroffen in gevaccineerde mensen (68 pg/ml). De studie laat dan ook niet zien dat dit ook optreedt na vaccinatie met een mRNA-vaccin.
  • In een andere studie brachten onderzoekers een pseudovirus met het spike-eiwit in de luchtwegen van hamsters [95].  Het gevolg was dat het endotheel van de longen beschadigd raakte. De onderzoekers suggereren echter op basis van de resultaten dat de antistoffen die worden aangemaakt door vaccinatie daar juist tegen kunnen beschermen [95]:

“This conclusion suggests that vaccination-generated antibody and/or exogenous antibody against S protein not only protects the host from SARS-CoV-2 infectivity but also inhibits S protein-imposed endothelial injury.”

Zorgt het spike-eiwit voor onvruchtbaarheid bij vrouwen?

Voor de ontwikkeling van de placenta is bij placentale zoogdieren het eiwit syncytin-1 nodig. Omdat dit eiwit zou lijken op het spike-eiwit dat door mRNA-vaccin wordt aangemaakt is de gedachten dat deze vaccins voor onvruchtbaarheid zorgen. Op dit moment is daar geen bewijs voor [96-101]. De gelijkenis in aminozuursequentie tussen synctin-1 en het spike-eiwit is erg laag [102]. Er worden bovendien geen afwijkingen aan de placenta [103] en verhoogde risico’s op een miskraam [104, 105] gevonden.

13. Het BioNTech/Pfizer-vaccin zou tot sterfte leiden
Zie voorbeeld

In een fase 2/3-studie naar de effectiviteit en veiligheid van het BioNTech/Pfizer-vaccin gekeken. Bij een grote groep deelnemers (n=43.548) is het BioNTech/Pfizer-vaccin gedurende twee maanden vergeleken met placebo (saline) [106]. Daarin zijn inderdaad mensen overleden die het vaccin hebben gekregen (n=2). In de placebogroep waren er echter meer mensen overleden (n=4) [106]:

“Two BNT162b2 recipients died (one from arteriosclerosis, one from cardiac arrest), as did four placebo recipients (two from unknown causes, one from hemorrhagic stroke, and one from myocardial infarction). No deaths were considered by the investigators to be related to the vaccine or placebo.”

Je kunt dus niet zeggen dat het vaccin tot sterfte leidt. Eerder het tegenovergestelde omdat in de placebogroep het aantal sterfgevallen groter was. Dit was overigens een tussentijdse rapportage, zeker voor wat betreft sterfte als uitkomstmaat. In een latere publicatie is gevonden dat na zes maanden er 15 sterfgevallen waren in de vaccingroep en 14 sterfgevallen in de placebogroep, wat een vergelijkbaar aantal is [107].

14. De deelnemers aan een vaccinstudie zouden weten of ze het vaccin of placebo kregen
Zie voorbeeld [108]

In de publicatie van die studie wordt de blindering niet duidelijk omschreven. Wel wordt er aangegeven dat in ieder geval het personeel dat verantwoordelijk was voor de veiligheidsevaluatie geblindeerd was [106]:

“Site staff who were responsible for safety evaluation and were unaware of group assignments observed participants for 30 minutes after vaccination for any acute reactions.”

Maar dat wil niet zeggen dat de deelnemers wel wisten of ze het vaccin kregen of het placebo. Hoe de blindering is uitgevoerd staat in het studieprotocol [109] en in de voorregistratie [110]. Daarin staat dat zowel de deelnemers als de artsen en de onderzoekers niet wisten wie het vaccin en wie de placebo kreeg. De mensen die het vaccin toedienden wisten het wel, omdat het vaccin in uiterlijk verschilde van het placebo. Het wordt daarom een ‘observer-blinded studie’ genoemd [109]:

“The study is observer-blinded, as the physical appearance of the investigational vaccine candidates and the placebo may differ. The participant, investigator, study coordinator, and other site-staff will be blinded. At the study site, only the dispenser(s)/administrator(s) are unblinded.”

15. Vaccins tegen COVID-19 zouden niet effectief zijn
Zie voorbeeld [111]

Hoewel vaccins wereldwijd worden ingezet om de coronapandemie te bestrijden wordt er getwijfeld aan de effectiviteit ervan. En dat niet alleen. Vaccins zouden het risico op overlijden en opname in het ziekenhuis juist laten toenemen.

Om te onderbouwen dat het risico op ziekenhuisopname groter is na vaccinatie wordt er weleens verwezen naar een rapportage van de COVID-19 uitbraak in de Amerikaanse staat Massachusetts [105]. Deze uitbraak heeft plaatsgevonden na een aantal publieke evenementen. In de maand juli hadden 469 mensen COVID-19, waarvan 346 (74%) volledig gevaccineerd was (doorbraakinfectie) [115]:

“The study details a COVID-19 outbreak that started July 3 in Provincetown, Mass., involving 469 cases. It found that three-quarters of cases occurred in fully vaccinated people. Massachusetts has a high rate of vaccination: about 69% among eligible adults in the state at the time of the study.”

Die cijfers geven echter niet aan dat je met vaccinatie een groter risico loopt op COVID-19 of ziekenhuisopname dan zonder vaccinatie. Dat wordt ook in de publicatie genoemd [115]:

“First, data from this report are insufficient to draw conclusions about the effectiveness of COVID-19 vaccines against SARS-CoV-2, including the Delta variant, during this outbreak. As population-level vaccination coverage increases, vaccinated persons are likely to represent a larger proportion of COVID-19 cases.”

In Massachusetts had 69% minimaal één vaccinatie gehad en de vraag is hoeveel procent van de mensen die naar die evenementen gingen minimaal één keer gevaccineerd was. Wanneer procentueel weinig ongevaccineerde mensen naar die evenementen gingen (met een hogere kans op transmissie) en zich misschien minder vaak, minder snel of helemaal niet laten testen neemt de kans af dat die groep besmet raakt en in het ziekenhuis komt te liggen. Gevaccineerde mensen kunnen zich bovendien veiliger voelen waardoor ze minder snel een besmettingsrisico (publieksevenementen) zullen ontzien. Bovendien beschermt een vaccin niet voor 100% waardoor er altijd doorbraakinfecties zullen optreden.

Er is ander soort onderzoek/analyse nodig om iets te kunnen zeggen over de effectiviteit van vaccins. Dat onderzoek bestaat uit ‘Randomized Controlled Trials‘ (RCT’s) en observationele studies waarin gekeken is naar de ‘real-world vaccin-effectiviteit‘. Dat onderzoek is er en daaruit blijkt dat vaccinatie (met name na de tweede dosis) effectief is tegen infectie met het coronavirus, ziekenhuisopnamen en de productie van antistoffen, ook tegen de deltavariant [35, 106, 116-128].

In deze rapportage is de effectiviteit van de COVID-19-vaccins tegen ziekenhuis- en IC-opname onderzocht. Dit is gedaan door de ziekenhuis- en IC opnameregistratie van NICE te verrijken met vaccinatiegegevens uit het centrale COVID-19 vaccinatieregister (CIMS). Uit dit onderzoek blijkt dat ziekenhuisopnames vooral plaatsvinden onder ongevaccineerde personen. De vier in Nederland gebruikte COVID-19-vaccins zijn zeer effectief in de preventie van ziekenhuis- en IC-opname in alle leeftijdscategorieën, ook in de huidige periode waarin de deltavariant domineert. In deze deltaperiode was de vaccin-effectiviteit tegen ziekenhuisopname tot nu toe 95%: 92% in de leeftijdsgroep 15-49 jaar, 97% in de leeftijdsgroep 50-69 en 91% bij 70-plussers. De bescherming tegen IC-opname was 97%: respectievelijk 99%, 97% en 95% voor de drie leeftijdsgroepen. Acht maanden na de start van het COVID-19-vaccinatieprogramma in Nederland zijn er nog geen aanwijzingen voor afname van bescherming met de tijd sinds vaccinatie.” [128]

We zien ook dat het merendeel dat met COVID-19 in het ziekenhuis terecht komt niet volledig gevaccineerd is [129].

LeeftijdscategorieZiekenhuisopnameDoden
Niet volledig
gevaccineerd
n=34.973 (92)
Volledig
gevaccineerd
n=2.976 (8)
Niet volledig
gevaccineerd
n=6.132 (91)
Volledig
gevaccineerd
n= 616 (9)
4 april-19 juni 2021
18-49 jaar, n (%)10.526 (97)295 (3)609 (99)7 (1)
50-64 jaar, n (%)9.158 (95)444 (5)1.380 (96)58 (4)
≥65 jaar, n (%)9.199 (88)1.286 (12)3.137 (90)363 (10)
Totaal, n (%)28.883 (93)2.025 (7)5.126 (92)428 (8)
20 juni-17 juli 2021
18-49 jaar, n (%)2.666 (95)146 (5)155 (96)7 (4)
50-64 jaar, n (%)1.755 (88)234 (12)290 (93)23 (7)
≥65 jaar, n (%)1.668 (74)571 (26)561 (78)158 (22)
Totaal, n (%)6.089 (86)951 (14)1.006 (84)188 (16)

Aantallen en percentages van ziekenhuisopnamen en doden onder niet volledig en volledig gevaccineerde personen in 13 Amerikaanse staten [129].

Afname van vaccineffectiviteit?

Na verloop van tijd zal de effectiviteit van vaccins voor wat betreft bescherming tegen een SARS-CoV-2-infectie afnemen. In een vaak aangehaalde studie onder gezondheidsmedewerkers nam de vaccineffectiviteit tegen een symptomatische SARS-CoV-2-infectie van 94-96% in maart-juni 2021 af naar 65,5% in juli 2021 [130]. Niet helemaal duidelijk is waardoor dat komt. De auteurs geven aan dat hierbij de opkomst van de deltavariant, de verminderde immuniteit en een versoepeling van de maatregelen waarschijnlijk een rol speelt [130]:

“The dramatic change in vaccine effectiveness from June to July is likely to be due to both the emergence of the delta variant and waning immunity over time, compounded by the end of masking requirements in California and the resulting greater risk of exposure in the community.”

Symptomatische SARS-CoV-2 Infectie en mRNA vaccine-effectiviteit onder gezondheidsmedewerkers van maart tot en met juli 2021 [130].

Dit is echter geen argument om mee aan te geven dat vaccins niet effectief zijn. Er wordt nog steeds een beschermend effect gevonden. In een andere studie wordt gevonden dat de activiteit van antistoffen in ieder geval tot 209 dagen na de tweede vaccinatie hoog blijft [131]:

“Although the antibody titers and assays that best correlate with vaccine efficacy are not currently known, antibodies that were elicited by mRNA-1273 persisted through 6 months after the second dose, as detected by three distinct serologic assays.”

Belangrijker is echter dat er nog geen achteruitgang wordt gezien in de bescherming tegen ziekenhuis- en IC-opname [128, 131-135].

Our results provide support for high effectiveness of BNT162b2 against hospital admissions up until around 6 months after being fully vaccinated, even in the face of widespread dissemination of the delta variant. Reduction in vaccine effectiveness against SARS-CoV-2 infections over time is probably primarily due to waning immunity with time rather than the delta variant escaping vaccine protection.” [135]

In Nederland is ook duidelijk te zien dat de meeste mensen die met COVID-19-patiënten in het ziekenhuis zijn opgenomen ongevaccineerd zijn [134]. Een verklaring hiervoor is dat na vaccinatie de cellulaire immuniteit (B- en T-geheugencellen) langer hoog blijft dat de humorale immuniteit (antistoffen) [136, 137].

Verdeling van vaccinatiestatus van opgenomen COVID-19 patiënten in het ziekenhuis (links) en op de IC intensive care (rechts), voor patiënten waarvan de vaccinatiestatus bekend was [134]. Van in totaal 1482 COVID-19 patiënten die tussen 1 september en 3 oktober in het ziekenhuis werd opgenomen, was van 1369 (92%) de vaccinatiestatus bekend. In die periode werden 311 COVID-19 patiënten op de IC opgenomen, waarvan bij 282 (91%) de vaccinatiestatus bekend was.

Vaccineffectiviteit (VE) tegen ziekenhuis- en IC-opname in de alfaperiode (4 april-29 mei 2021) en de deltaperiode (4 juli-12 augustus 2021) per leeftijdsgroep en alle leeftijden samen [132].

Vaccineffectiviteit in Israël tegen SARS-CoV-2-infectie, symptomatische COVID-19, ziekenhuis- en overlijden bij personen die volledig gevaccineerd zijn in januari – april [133].

Absoluut risico, relatief risico en ‘Numbers Needed to Vaccinate

De vaccineffectiviteit wordt doorgaans uitgedrukt in een ‘Relatieve Risico Reductie’ (RRR). Maar er zijn ook andere uitkomstmaten zoals de ‘Absolute Risico Reductie‘ (ARR) en het ‘Numbers Needed to Vaccinate‘ (NNV). Er wordt weleens gezegd dat het uitdrukken van de vaccineffectiviteit in een RR misleidend is. Dat komt omdat de RR gezien moet worden in relatie tot de kans op besmettingen, ziekenhuisopnamen of doden bij ongevaccineerde. Het AR ligt veel lager en zou massale vaccinatie niet verantwoorden.

Een toelichting op de verschillende manieren waarin resultaten kunnen worden uitgedrukt op basis van ziekenhuisopnamen als uitkomst:

  • De ‘Relatieve Risico Reductie’ (RRR) is de verhouding van het risico op ziekenhuisopname tussen gevaccineerde en ongevaccineerde personen.
  • De ‘Absolute Risico Reductie‘ (ARR) is het verschil in risico op ziekenhuisopname tussen gevaccineerde en ongevaccineerde personen.
  • De ‘Numbers Needed to Vaccinate‘ (NNV) is het aantal personen dat gevaccineerd zou moeten worden om één ziekenhuisopname te voorkomen.

In een review hebben onderzoekers de verschillende soorten risicoreducties per coronavaccin berekend (zie tabel 1) [138]. Te zien is dat de ARR varieert van 0,71 tot 1,20%. Dat betekent dat wanneer een jaar lang 10 miljoen personen worden gevaccineerd er 71.000 – 120.000 SARS-CoV-2-infecties worden voorkomen. Om één SARS-CoV-2-infectie te voorkomen moeten er 83 tot 141 personen worden gevaccineerd. En uitgaande van een ‘Infection Fatality Rate‘ (IFR) van 1,0 worden er 710 tot 1.200 doden voorkomen (2 – 3 per dag).

VaccinResultaten
gevaccineerd
Resultaten
ongevaccineerd
AR
gevaccineerd
AR
ongevacineerd
ARRNNVRR
BioNTecht/Pfizer8/21.720162/21.7280,04%0,74%0,71%1410,05
Moderna11/15.210185/15.2100,07%1,20%1,13%910,06
AstraZeneca30/5807101/58.290,50%1,70%1,20%830,30
Sputnik V16/14.96462/4.9020,40%1,30%1,20%830,09
Janssen66/19.306193/19.1780,34%1,01%0,67%1490,34
Griepprik221/18.797357/13.0951,18%2,73%1,56%640,43
Ebola91/91.492880/92.2620,10%9,50%9,4%110,11

Tabel 1: Risico op infectie uitgedrukt in AR (Absoluut Risico), ARR (Absolute Risico Reductie), NNV (Numbers Needed to Vaccinate) en RR (Relatief Risico) voor vier coronavaccins, griepvaccin en een ebolavaccin [138].

Een voorbeeld kan het verduidelijken. In een Israëlische studie is gekeken naar de effectiviteit van het BioNTech/Pfizer-vaccin (volledige dosis) bij volwassenen (≥16 jaar), gedurende vier maanden na de start van de vaccinatiecampagne (mediane follow-up 7 weken) [111]. We zien dan voor ziekenhuisopname een RRR van 0,958 (95,8%), een ARR van 0,0029 (0,29%) en een NNV van 344 (zie tabel 1). Voor sterfte zien we een RRR van 0,925 (92,5%), een ARR van 0,00036 (0,036%) en een NNV van 2.757 (zie tabel 2). Dat betekent dat wanneer 10 miljoen personen zijn gevaccineerd er gedurende zo’n twee maanden 29.000 ziekenhuisopnamen (80 per dag) en 3.600 doden (10 per dag) zijn voorkomen. Dit was in een periode waarin ook andere maatregelen van kracht waren, waaronder een landelijke lockdown.

Geen ziekenhuisopname (n)Ziekenhuisopname (n)Totaal
Volledig gevaccineerd4.714.5735964.714.169
Niet gevaccineerd1.818.4235.5261.823.949
6.532.9966.1226.538.118

Tabel 1: Overzicht van ziekenhuisopnamen onder gevaccineerde en ongevaccineerde (≥16 jaar) [121]. Online calculator gebruikt:

  • RRR = 0,958 (95,8%)
  • ARR = 0,0029 (0,29%)
  • NNV = 344 personen

In leven (n)Doden (n)Totaal
Volledig gevaccineerd4.714.0311384.714.169
Niet gevaccineerd1.823.2347151.823.949
6.537.2658536.538.118

Tabel 1: Overzicht van het aantal doden onder gevaccineerde en ongevaccineerde (≥16 jaar) [121]. Online calculator gebruikt.

  • RRR: 0,925 (92,5%)
  • ARR = 0,00036 (0,036%)
  • NNV = 2.757 personen

Resultaten van een studie uit het Verenigd Koninkrijk waarin gekeken is naar de effectiviteit van mRNA- (BioNTech/Pfizer) en vector-vaccins (Oxford/AstraZeneca) tegen de deltavariant [120]. BNT162b2 = BioNTech/Pfizer,  ChAdOx1 = Oxford/AstraZeneca.

 

Resultaten van een studie uit Israël waarin gekeken is naar de effectiviteit van een mRNA-vaccin (BioNTech/Pfizer) [121].

 

Resultaten van een studie uit Amerika waarin gekeken is naar de effectiviteit van een mRNA-vaccin (Moderna) wat betreft de cumulatieve incidentie van COVID-19 [122]

 

Resultaten van een studie uit Amerika waarin gekeken is naar de effectiviteit van een vector-vaccin (Janssen) wat betreft de cumulatieve incidentie van Covid-19 [123].

 

Overzicht van de resultaten van een Engels studie onder ouderen (≥70 jaar) waarin gekeken is naar de effectiviteit van een mRNA- (BionTech/Pfizer) en vector-vaccin (Oxford/AstraZeneca) wat betreft het voorkomen van symptomatische PCR-bevestigde COVID-19 [124].

 

Resultaten van een gepoolde analyse van vier studies waarin gekeken is naar de effectiviteit van een booster-vaccinatie met een vector-vaccin (Oxford/AstraZeneca-vaccin) [125]. A = deelnemers die twee doses hebben gekregen. B = deelnemers die twee standaarddoses kregen. C = deelnemers die een lage dosis plus standaarddosis kregen. 

 

Resultaten van meta-analyses waarin gekeken is naar de effectiviteit van een mRNA-vaccin (BioNTech/Pfizer) wat betreft het voorkomen van RT-PCR-bevestigde COVID-19 [126]. A = na eerste vaccina, B = na tweede vaccinatie.

 

Resultaten van meta-analyses waarin gekeken is naar de effectiviteit van verschillende soorten vaccins wat betreft het voorkomen van COVID-19 [127]. Zie ook figuur S2 in Supplemental Information.

16. Een infectie doormaken zou beter beschermen dan vaccinatie

Er is op dit moment nog veel onduidelijk over hoe goed en hoe lang iemand beschermt blijft na een SARS-CoV-2-infectie en vaccinatie. En die twee met elkaar vergelijken is nog lastiger. Waar kijk je bijvoorbeeld naar? De productie en het verloop van antistoffen (en welke)? De productie en het verloop van B en T-cellen? De kans op transmissie? De kans op herinfectie? Het aantal ziekenhuisopname? Hoe goed is de bescherming tegen varianten? Wel weten we dat de immuunrespons na een SARS-CoV-2-infectie sterk kan verschillen tussen personen. Meer onderzoek (dat geleidelijk beschikbaar zal komen) is dan ook nodig om daar meer duidelijkheid over te krijgen. Enige terughoudendheid tot die tijd lijkt dan ook verstandig.

Niet uitgesloten is dat het doormaken van een SARS-CoV-2-infectie inderdaad beter en langer beschermt dan een vaccin. Maar dat maakt vaccins nog niet nutteloos. Wanneer het beleid zou zijn om iedereen een SARS-CoV-2-infectie te laten doormaken omdat dat een betere en langdurigere bescherming zou geven dan vaccinatie, betekent dat, dat een deel ervan ziek zal worden en eraan zal sterven. Dat is een risico dat afgewogen zal moeten worden. Nog niet gesproken over overbelasting van de zorg met alle gevolgen van dien en de patiënten die langdurig klachten houden. Vaccins worden ingezet om dat te voorkomen. Er is dus sprake van selectiebias.

“We estimated that the BNT162b2 vaccine resulted in an increased incidence of a few adverse events over a 42-day follow-up period. Although most of these events were mild, some of them, such as myocarditis, could be potentially serious. However, our results indicate that SARS-CoV-2 infection is itself a very strong risk factor for myocarditis, and it also substantially increases the risk of multiple other serious adverse events. These findings help to shed light on the short- and medium-term risks of the vaccine and place them in clinical context.” [139]

Absolute risico’s op verschillende complicaties 42 dagen na vaccinatie (BioNTech/Pfizer-vaccin) of SARS-CoV-2-infectie [139].

Desondanks wordt er op sociale media geschreven [140]:

“De mensen die het wel hebben opgelopen, blijven wel tot 8 keer langer beschermd, overigens. Ons eigen immuunsysteem is dus veruit superieur aan de inferieure prik. En dat is geen mening, maar het resultaat van onderstaand onderzoek.”

Onderzoek naar humorale immuniteit (IgG)

De studie waarnaar verwezen wordt laat zien dat na vaccinatie iedere maand de IgG-levels tot 40% daalde [141]. Bij deelnemers die een SARS-CoV-2-infectie hadden doorgemaakt was die daling slechts 4%. Zes maanden na vaccinatie had 16,1% een hoeveelheid antistoffen lager dan de seropositiviteitsdrempel van <50 AU/ml. Bij deelnemers die een SARS-CoV-2-infectie hadden doorgemaakt was dat percentage na negen maanden 10,8%.

Verloop van IgG-levels na vaccinatie (BioNTech/Pfizer-vaccin) en SARS-CoV-2-infectie [141].

Hier is echter alleen maar naar de IgG-levels gekeken en niet naar andere markers (B-, T-cel-immuniteit) of hardere eindpunten zoals ziekenhuisopname en sterfte. IgG is een antistof (immunoglobuline), gemaakt door de B-cellen van ons immuunsysteem waar verschillende klassen van zijn (IgM, IgG, IgE, IgA en IgD). Door recombinatie zijn die antistoffen in staat om een zeer groot aantal verschillende antigenen te herkennen (naar schatting 10¹²). Bij een eerste infectie stijgt als eerste IgM. Na ongeveer twee weken daalt IgM en begint IgG het over te nemen. IgG is de meest voorkomende antistof in het bloed (ca. 70%) en zegt iets over de immuniteit op lange termijn.

Op basis van alleen een stijging van IgG-levels en het verloop daarvan kun je niet alles zeggen over de immuniteit tegen SARS-CoV-2. Het immuunsysteem is veel breder en complexer. Door auteurs van een studie waarin wordt gevonden dat (anti-S) IgG tot >6 maanden relatief stabiel blijft na een SARS-CoV-2-infectie geven aan [142]:

“While immune memory is the source of long-term protective immunity, direct conclusions about protective immunity cannot be made on the basis of quantifying SARS-CoV-2 circulating antibodies, memory B cells, CD8+ T cells, and CD4+ T cells, because mechanisms of protective immunity against SARS-CoV-2 or COVID-19 are not defined in humans.”

Er waren ook duidelijk demografische verschillen tussen de twee groepen (zie onderstaande tabel). De groep die niet gevaccineerd was, was gezonder en jonger [142].

GevaccineerdSARS-COV-2-infectie
Aantal deelnemers2.6534.361
Gemiddelde leeftijd (jaren)56,542,0
Leeftijdscategorie (%)

   18-59 jaar

   ≥60 jaar

 

48,9

51,1

 

84,0

16,0

Etniciteit (%)

   Arabisch

   General (grotendeels Joods)

   Joods ultra orthodox

 

10,9

71,9

17,1

 

14,1

44,9

41,0

Onderliggende ziekten (%)

   Diabetes mellitus type II

   Hypertensie

   COPD

   Ischemische hartziekten

   Solide tumor

   Chronische nierziekten

 

24,8

43,0

10,0

12,3

12,9

7,5

 

11,3

18,5

3,1

4,2

3,9

1,4

Een andere studie bevestigt dat de IgG-levels stabiel blijven gedurende drie maanden [143]. In drie andere studies worden andere resultaten gevonden. Die zijn weliswaar een stuk kleiner, maar gezien de beperkte literatuur interessant om kort te bespreken. In één studie (n=34) leidde het doormaken van een milde SARS-CoV-2-infectie na 36 dagen tot bijna een halvering van de IgG-levels [144]:

“Our findings raise concern that humoral immunity against SARS-CoV-2 may not be long lasting in persons with mild illness, who compose the majority of persons with Covid-19.”

In een andere studie (n=74) is er een onderscheid gemaakt tussen symptomatische en asymptomatische SARS-CoV-2-patiënten [145]. Beide groepen werden volgens protocol opgenomen in een ziekenhuis voor isolatie. De IgG-levels waren bij asymptomatische patiënten duidelijk lager dan bij symptomatische patiënten. Opvallend was dat twee maanden na ontslag uit het ziekenhuis de IgG-levels sterk waren gedaald. In de asymptomatische groep met 71,1% en in de symptomatische groep met 76,2%.

Verandering van IgG-levels tijdens de acute fase en acht weken na ontslag uit ziekenhuis [145].

In een andere studie (n=87) is gevonden dat vanaf 1,3 maanden na de eerste symptomen tot en met 6,2 maanden erna de IgG-levels met 22 en 32% zijn gedaald (respectievelijk anti-N IgG en anti-RBD IgG) [146].

In een kleine studie is gevonden dat een mRNA-vaccin (BioNTech/Pfizer) een hogere IgG-respons opwekt tegen SARS-CoV-2 dan een SARS-CoV-2-infectie [147]. Met name na een tweede dosis is een toename van IgG t zien tegen het S1-domein van het spike-eiwit. Een SARS-CoV-2-infectie wekt een hogere antilichamenrespons op tegen het OC43 coronavirus.

Een mRNA-vaccin wekt een hogere IgG antilichamenrespons op tegen SARS-CoV-2 dan een SARS-CoV-2-infectie [147]. 

Mogelijke verklaringen voor de verschillen die gevonden worden zijn dat studies niet hetzelfde soort IgG hebben gemeten. Dat kan gericht zijn tegen het ‘Receptor Binding Domein‘ (anti-RBD IgG) van het spike-eiwit, maar ook tegen het gehele spike-eiwit (anti-S IgG) of op het nucleocapside (anti-N IgG). Daarnaast zijn er verschillen in demografische gegevens van de deelnemers.

Onderzoek naar cellulaire immuniteit

Verschillende studies laten zien dat een éénmalige vaccinatie binnen een week na het hebben doorgemaakt van een SARS-CoV-2-infectie een grotere cellulaire immuunrespons geeft dan twee vaccinaties zonder een eerdere SARS-CoV-2-infectie te hebben doorgemaakt [136, 137, 148-152]. Een voorbeeld:

In een studie (n=61) zijn na vaccinatie met mRNA-vaccins (Pfizer/BioNTech en Moderna) gedurende zes maanden verschillende geheugencellen van het immuunsysteem gemeten [136]. De antilichamen daalde na verloop van tijd, maar de neutraliserende eigenschappen ervan daalde langzamer. Na zes maanden hadden bijna alle deelnemers nog neutraliserende antilichamen tegen de deltavariant.

B-geheugencellen zijn nodig om bij een infectie snel antilichamen te produceren die het virus bestrijden. Die bleven gedurende de zes maanden hoog (stegen zelfs van 3-6 maanden). Dat was ook te zien voor T-geheugencellen.

Deze resultaten kunnen context bieden voor het begrijpen van mogelijke discrepanties in de werkzaamheid van vaccins bij het voorkomen van infectie versus ernstige ziekte, ziekenhuisopname en overlijden. Een daling van antistoffen zal mogelijk de effectiviteit tegen SARS-CoV-2-infectie doen verminderen. De blijvende cellulaire immuniteit voor ten minste zes maanden, kan echter bijdragen aan snelle recall-reacties die de initiële virale replicatie en verspreiding ervan in de gastheer kunnen beperken, waardoor ernstige ziekte wordt voorkomen. Een samenvatting [136]:

“These studies provide insight into the evolution of immunological memory following SARS-CoV-2 mRNA vaccination. Specifically, the continued increase in SARS-CoV-2-specific memory B cells between 3 and 6 months post-mRNA vaccination, even as antibody levels declined in the same individuals, suggests that prolonged germinal center reactions (14) continue to generate circulating memory B cells for at least several months following vaccination.”

“Furthermore, there may be differences in immunity generated by mRNA vaccination versus infection, as memory B cells 6 months post-vaccination were qualitatively superior at binding VOCs compared to memory B cells 6 months after recovering from mild COVID-19.

“In addition to durable B cell memory, SARS-CoV-2-specific memory CD4+ T cells were relatively stable from 3-6 months post mRNA vaccination, and the vast majority of vaccinees maintained robust CD4+ T cell responses at 6 months. Early CD4+ T cell responses correlated with 3- and 6-month humoral responses, highlighting a role for T cell immunity in shaping the overall response to vaccination.”

“Together, these data identify durable cellular immunity for at least 6 months after mRNA vaccination with persistence of high-quality memory B cells and strong CD4+ T cell memory in most individuals.”

Onderzoek naar SARS-CoV-2-infectie

In een grote retrospectieve studie uit Israël is gekeken naar verschillen in immuniteit tussen [153]:

  • Het hebben doorgemaakt van een SARS-CoV-2-infectie (groep 1)
  • Vaccinatie (twee doses BioNTech/Pfizer-vaccin) zonder eerder doorgemaakte SARS-CoV-2-infectie (groep 2)
  • Het hebben doorgemaakt van een SARS-CoV-2-infectie, plus een enkele vaccinatie (één dosis BioNTech/Pfizer-vaccin).

Die studie laat zien dat het hebben doorgemaakt van een SARS-CoV-2-infectie (groep 1) beter beschermde tegen infectie met de deltavariant en ziekenhuisopname dan volledige vaccinatie (groep 2). Een enkele vaccinatie na het hebben doorgemaakt van een SARS-CoV-2-infectie beschermde echter het beste (groep 3) [153]:

“This study demonstrated that natural immunity confers longer lasting and stronger protection against infection, symptomatic disease and hospitalization caused by the Delta variant of SARS-CoV-2, compared to the BNT162b2 two-dose vaccine-induced immunity. Individuals who were both previously infected with SARS-CoV-2 and given a single dose of the vaccine gained additional protection against the Delta variant.”

Deze studie is vaak gedeeld en bediscussieerd. Enkele opmerkingen (groep 1 versus groep 2):

  • Door de matching-procedure is maar 4% van de date gebruikt.
  • Deelnemers die gestorven zijn aan een SARS-CoV-2-infectie zijn niet meegenomen. Daardoor kan de vraag niet beantwoord worden of mensen zonder eerdere SARS-CoV-2-infectie moeten worden gevaccineerd of moeten wachten op het doormaken van een natuurlijke SARS-CoV-2-infectie.
  • Informatie over het gedrag en het opvolgen van de maatregelen ontbreekt (social distancing en het dragen van mondneusmaskers).
  • De gemiddelde leeftijd is jong (36 jaar). Omdat groep 2 voor 28 februari 2021 volledig gevaccineerd was, zal een aanzienlijk deel hebben bestaan uit gezondheidsmedewerkers die een hoger risico lopen om in aanraking te komen met SARS-CoV-2.

In een case-control studie (n=738) onder inwoners van Kentucky is daarentegen gevonden dat vaccinatie in de maanden mei en juni 2021 ruim twee keer beter beschermde tegen infectie met SARS-CoV-2 dan een eerder doorgemaakte SARS-CoV-2-infectie [154]:

“These findings suggest that among persons with previous SARS-CoV-2 infection, full vaccination provides additional protection against reinfection. Among previously infected Kentucky residents, those who were not vaccinated were more than twice as likely to be reinfected compared with those with full vaccination. All eligible persons should be offered vaccination, including those with previous SARS-CoV-2 infection, to reduce their risk for future infection.”

En een Britse studie laat geen verschil in effectiviteit zien tussen het AstraZeneca-vaccin en het hebben doorgemaakt van een SARS-CoV-2-infectie [155]:

“Effectiveness of two doses remains at least as great as protection afforded by prior natural infection.”

Onderzoek naar transmissie

Een manier om uit te drukken hoe besmettelijk iemand is, is de virale lading (het aantal virusdeeltjes). Een veel gebruikte maat daarvoor is de Ct-waarde (Cycle-treshold) van de PCR-test (Polymerase Chain Reaction). Wanneer een monster van een neus- of keelswab in het PCR-apparaat (thermocycler) gedaan wordt, wordt een kenmerkend deel van het virus gekopieerd. Dat gebeurt in cycli. De Ct-waarde geeft aan hoeveel cycli er nodig zijn om een bepaalde drempel van viraal materiaal te overschrijden. Wanneer er veel virusdeeltjes in de neus- of keelswab zitten zal de Ct-waarde lager zijn dan wanneer er geen of weinig virusdeeltjes inzitten.

Er zijn studies die geen verschil laten zien in virale lading tussen ongevaccineerde en gevaccineerde mensen met een positieve PCR-test-uitslag [156-158]. Hoewel dit niet altijd wordt gevonden [158], zou dat kunnen betekenen dat gevaccineerde mensen in dezelfde mate als ongevaccineerde mensen het virus kunnen doorgeven. Er spelen echter ook nog andere factoren een rol. Het blijkt namelijk dat de virusdeeltjes in gevaccineerde mensen minder vaak te kweken zijn dan in ongevaccineerde mensen [157]:

“A positive vaccination status significantly decreased the probability of culture positivity (p = 0.002, Wald test).”

Dat betekent dat het virus(deeltje) anderen niet kan infecteren. Studies laten ook zien dat het met name ongevaccineerde mensen zijn die anderen besmetten [158-161].

“Our data support that the SARS-CoV-2 infectious virus shedding is lower in vaccinated individuals with breakthrough infections (caused by primarily the delta variant) than in unvaccinated individuals with primary infections (caused by SARS-CoV-2 D614G).” [161]

Overzicht van het aantal transmissieparen (bron en ontvanger) in juli en augustus 2021 naar vaccinatiestatus en leeftijdscategorie [161]. Te zien is dat men name ongevaccineerde mensen elkaar besmetten.

17. Door vaccinatie zou je meer kans hebben op sterfte door de deltavariant
Zie voorbeeld [183]

Dit zou blijken uit rapport van de Engelse volksgezondheidsautoriteit PHE (Public Health England) [184]. In dat rapport staat dat ongevaccineerde mensen een sterftepercentage hadden van 0,1% (34 van de 35.521). Volledig gevaccineerde mensen hadden een sterftepercentage van 0,64% (26 van de 4.087). Dat is ruim zes keer meer dan 0,1%. Dus wordt er geconcludeerd [183]:

“Dubbele vaccinatie wordt dus geassocieerd met een 6-voudig risico op overlijden voor de Deltavariant vergeleken met de ongevaccineerden.”

“Voor de “factcheckers” in de censuurkantoren: dat beweren wij niet, het staat in dit document van 18 juni van de Britse federale regering, de tabel komt van pagina 12.”

Hier wordt echter met een aantal aspecten geen rekening gehouden. Het aantal gevaccineerde mensen was bijvoorbeeld groter dan het aantal niet-gevaccineerde mensen. Daarnaast was er een verschil is samenstelling tussen gevaccineerde en niet-gevaccineerde mensen. Gevaccineerde mensen waren ouder dan niet-gevaccineerde en hadden vaker een verhoogd medisch risico (prioriteitsgroepen). Ouderen en risicogroepen waren dus oververtegenwoordigd in de groep van gevaccineerde mensen. Dat maakt de vergelijking niet eerlijk en daar zou voor gecorrigeerd moeten worden. In wetenschappelijk onderzoek is het daarom belangrijk dat de groepen vergelijkbaar zijn of dat er eventueel gestratificeerd wordt. PHE geeft in het rapport wel aan dat de vaccineffectiviteit om ziekenhuisopname te voorkomen op 92 en 94% ligt (respectievelijk voor de alfa- en deltavariant).

Gevallen van spoedeisende zorg en sterfte naar vaccinatiestatus uit het PHE-rapport, blz. 12 (1 februari 2021 tot 14 juni 2021 [184].

Vaccin-effectiviteit om ziekenhuisopname te voorkomen [184].

18. Vaccins zouden de mutatiesnelheid van het virus doen laten toenemen

Wanneer organisme zich voortplanten wordt er genetisch materiaal (DNA of RNA) gekopieerd. Bij mensen en dieren is daar een man(netje) en een vrouw(tje) voor nodig. Het DNA van het nageslacht bestaat dan uit een mix van dat van de moeder en de vader. Daardoor zijn er gelijkenissen, maar ook verschillen (variatie). Virussen hebben geen partner nodig om zich voort te planten. Zij kunnen zich zelfstandig voortplanten, maar daarvoor hebben ze wel een gastheercel nodig. Eénmaal in de cel van de gastheer wordt het genetisch materiaal van het virus gekopieerd om vervolgens de cel te verlaten. Op die manier kunnen virussen zich in het lichaam en ten slotte onder mensen verspreiden.

Wanneer het DNA of RNA wordt gekopieerd ontstaan er altijd wel af en toe foutjes (mutaties). Dat kunnen verschillende soorten mutaties zijn. Bij een spontane puntmutatie gaat het om een verandering van slechts één nucleotide (transversie, transitie, deletie, insertie). SARS-CoV-2 bestaat uit 29.903 van die nucleotiden [185]. Drie nucleotiden bij elkaar (een codon) coderen voor een aminozuur. Een puntmutatie hoeft geen enkel gevolg te hebben. Er zijn namelijk meer soorten codons mogelijk (n=64) dan dat er aminozuren zijn (n=20). Dat betekent dat er meer dan één codon is dat voor eenzelfde aminozuur codeert. Een puntmutatie kan dus alsnog voor hetzelfde aminozuur coderen. Bovendien beschikken cellen over reparatiemechanismen die mutaties herstellen (proofreading).

Bij virussen treden ook regelmatig mutaties op. Gewoonlijk is de mutatiefrequentie van RNA-virussen veel hoger dan die van DNA-virussen, onder andere door het ontbreken van reparatiemechanismen [185]. Coronavirussen vormen echter een uitzondering en beschikken over ‘proofreading enzymen‘ die mutaties tijdens de transcriptie en translatie signaleren en herstellen [186]. Coronavirussen muteren dan ook relatief langzaam vergeleken met andere RNA-virussen. Zijn ze nadelig voor het virus dan verdwijnen ze en zijn ze voordelig voor het virus dan blijven ze bestaan. Zo ontstaan er steeds nieuwe varianten met andere eigenschappen. Van SARS-CoV-2 zijn er naar schatting duizenden varianten [187]. Afhankelijk van die eigenschappen van die nieuwe variant kunnen ze als volgt worden ingedeeld:

  • Variant of Interest (VOI)
  • Variant of Concern (VOC)
  • Variant of High Consequence (VOHC)

De deltavariant van SARS-CoV-2 (momenteel VOC) is bijvoorbeeld besmettelijker geworden dan de vorige varianten. Dat is in het voordeel van het virus. Een virus heeft namelijk voordeel bij zijn verspreiding en niet bij sterfte van zijn gastheer. Uiteindelijk zou SARS-CoV-2 nog maar slechts enkele verkoudheidsklachten kunnen geven en ieder jaar terugkomen.

Naarmate de mutatiesnelheid toeneemt, neemt in theorie ook de kans toe dat er ‘gevaarlijkere‘ varianten ontstaan. Bijvoorbeeld varianten die weer nieuw zijn voor ons immuunsysteem. Bij sommige bestaat het idee dat vaccineren de mutatiesnelheid van SARS-CoV-2 laat toenemen. Of dat zo is, is nog onduidelijk, maar een analyse in twintig landen wijst daar niet op [188]. Daar werd gevonden dat in landen met een hoge vaccinatiegraad er minder mutaties waren dan in landen met een lage vaccinatiegraad [188]:

“Our observations showed that countries with higher vaccination rates generated fewer mutations versus low vaccinated countries. This suggests that there is less of a chance for the virus to gain more virulent mutations in high vaccinated countries.”

In theorie is het mogelijk dat SARS-CoV-2 door selectiedruk sneller gaat muteren en ontsnapt aan vaccinatie. Bijvoorbeeld wanneer mensen niet volledig gevaccineerd zijn of wanneer de immuunrespons niet goed is. Dan krijgt het virus de gelegenheid om zich aan te passen. Vandaar dat volledige vaccinatie belangrijk is en eventueel een derde vaccinatie bij mensen waarbij de immuunrespons onvoldoende was. Onduidelijk hoe dit zich verhoudt tot het doormaken van een SARS-CoV-2-infectie. Het virus krijgt in die situatie wel meer de gelegenheid om zich te repliceren waarbij mutaties ontstaan.

19. Een toename van het aantal vaccinaties zou gevolgd worden door een toename van het aantal sterfgevallen

Dit is een uitspraak van de Franse viroloog Luc Montagnier (1932), de ontdekker van het hiv-virus (waar hij samen met twee anderen in 2008 de Nobelprijs voor gekregen heeft [189]:

“You see it in each country, it’s the same: the curve of vaccination is followed by the curve of deaths.”

Andere virologen denken daar echter weer anders over. Het is weinig zinvol om meningen van virologen tegenover elkaar te zetten. Belangrijk is of het klopt wat Montagnier zegt. Wordt in ieder land de curve van massa-vaccinatie gevolgd door een stijging van het aantal doden? Dat is een bewering die goed te controleren is. In Nederland, Engeland, Spanje, Italië, Frankrijk, Canada en Amerika is die stijging echter niet te zien (zie afbeelding) [190]. Die curves gaan duidelijk anders dan Montagnier beweert.

20. Lectines uit granen en peulvruchten zouden het coronavirus de cel binnenloodsen
Zie voorbeeld [191]

Hiervoor wordt verwezen naar een studie die met name in menselijke cellijnen is gedaan [192]. In deze cellen zijn plasmiden ingespoten die coderen voor verschillende receptoren, waaronder C-type lectine-receptoren (CLR’s). CLR’s behoren tot een groep van meer dan duizend eiwitten, waar twee hoofdindelingen van zijn [193]:

  • CLR’s die zich los in het bloed of slijmvlies bevinden.
    Deze CLR’s stimuleren door opsonisatie de fagocytose, remmen de groei van micro-organismen en maken deel uit van het complementsysteem. Voorbeelden van CLR’s zijn:

    • Surfactant Protein D‘ (SP-D)
    • ‘Mannose-binding lectin‘ (MBL)
    • Teranectin
  • CLR’s die door het celmembraan van (immuun)cellen steken (transmembraaneiwitten).
    Deze CLR’s komen voor op onder andere dendritische cellen, macrofagen, natural killercellen en endotheelcellen (binnenkant bloedvatwand). Door het contact met de intra- en extracellulaire omgeving kunnen ze verschillende intracellulaire signalen starten die leiden tot een immuunrespons. Ze doen ook dienst als ‘Cell Adhesion Molecules‘ (E-, P- en L-selectins) die (immuun)cellen in de extracellulaire ruimte kunnen binden. Voorbeelden zijn:

    • ‘Mannose receptor‘ (MR)
    • Dectin-1, ‘Dendritic Cell-Specifik Intercellular adhesion molecule-3 Grabbing Non-integrin‘ (DC-SIGN)
    • DEC-205-associated C-type Lectin-1‘ (DCL-1)
    • ‘Macrophage Galactose-type Lectin’ (MGL)
    • Sialoadhesin
    • Thrombomodulin
    • Selectins

CLR’s kunnen bepaalde suikerstructuren (glycoproteïne) van pathogene bacteriën, virussen en andere indringers herkennen en eraan binden [193-196]. Voor deze binding zijn ze vaak afhankelijk van calcium. Net als de bekendere ‘Toll Like Receptors‘ (TLR) zijn het belangrijke ‘Pattern Recognition Receptors‘ (PRR’s). Zo zijn er CLR’s die bindingsplaatsen hebben voor het HIV-1-, hepatitis C- en ebolavirus [193].

De verschillende soorten CLR’s binden aan verschillende soorten suikers (mannose en fructose, glucanen) om vervolgens een immuunrespons op te starten. Het spike-eiwit van SARS-CoV-2 bevat ook verschillende suikerstructuren waardoor CRL’s daar mogelijk een rol bij kunnen spelen.

Veronderstelde mechanisme waarbij specifieke C-lectine-receptoren binden aan het SARS-CoV-2 spike-eiwit [195].

Genetische variatie in CLR’s kan ervoor zorgen dat niet iedereen hetzezelfde op infectieziekten reageert. Verschillende virussen zijn echter zo geëvolueerd dat ze deze verdediging kunnen omzeilen en zelfs in hun voordeel kunnen ombuigen door er toegang tot de cel mee te krijgen [194].

“In this battle for infection, some pathogens have evolved strategies to circumvent the role of CLRs in activating immunity and even to divert CLRs to their benefit. Many enveloped viruses associate with CLRs and other host factors at the cell surface to facilitate the transfer towards their specific entry receptors that will trigger fusion of viral and host membranes. “

De studie die is aangehaald laat zien dat CLR’s de ACE-receptor kunnen faciliteren bij het binnenlaten van SARS-CoV-2 in de cel [192]:

“We have shown that transmembrane lectins act as attachment receptors, rather than entry receptors for SARS-CoV-2, thus facilitating the infection via the canonical ACE2 pathway.”

Met lectines zoals te vinden zijn in granen en peulvruchten heeft het echter niets te maken. De expressie van CLR’s wordt niet beïnvloed door het binnenkrijgen van lectines. Lectines afkomstig van planten en zeewier lijken met name antivirale eigenschappen te hebben (wanneer de virussen een enveloppe hebben) [197-202].

“The presence of glycoproteins in the viral envelope opens a wide range of possibilities for application of lectins to solve different types of problems involved with viral infections such as COVID-19. In the therapeutic area, the lectins could be considered leading molecules for the development of new antiviral approaches due to their ability to inhibit viral entry in the host cell” [201].

  1. Europees Commissie. Gezamenlijke mededeling aan het Europees parlement, de Europese raad, de raad, het Europees Economisch en Sociaal Comitè en het Comitè van de regio’s. Desinformatie in verband met COVID-19 aanpakken: feiten onderscheiden van fictie. Brussel, 10.6.2020. JOIN (2020) 8 final (link).
  2. Jung RG, Di Santo P, Clifford C, Prosperi-Porta G, Skanes S, Hung A, Parlow S, Visintini S, Ramirez FD, Simard T, Hibbert B. Methodological quality of COVID-19 clinical research. Nat Commun. 2021 Feb 11;12(1):943.
  3. NOS. Kabinet erkent fouten, belooft beterschap bij bestrijding coronavirus (link). Geraagpleegd: 21 oktober 2021
  4. Rechtspraak.nl. Vordering tot opschorten coronatoegangspas afgewezen (link). Volledige uitspraak (link)
  5. Facebookpost Duque Malo El Rey 609331566408429 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  6. Facebookpost Peter Bonne 3778722662169957 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  7. YouTubekanaal Brian Murray TRUTH : A VOICE IN THE DESERT. The Corona Virus found in 1989 medical encyclopedia (link). Geraadpleegd: 25 september 2021
  8. Estola T. Coronaviruses, a new group of animal RNA viruses. Avian Dis. 1970 May;14(2):330-6. PMID: 4316767.
  9. Schalk, A.F., Hawn, M.C. (1931). An apparently new respiratory disease of baby chicks. Journal of the American Veterinary Medical Association, 78(3), 413–422.
  10. Tyrrell DA, Bynoe ML. Cultivation of a novel type of comon-cold virus in organ cultures. Br Med J. 1965 Jun 5;1(5448):1467-70.
  11. Hamre D, Procknow JJ. A new virus isolated from the human respiratory tract. Proc Soc Exp Biol Med. 1966 Jan;121(1):190-3.
  12. Almeida JD, Tyrrell DA. The morphology of three previously uncharacterized human respiratory viruses that grow in organ culture. J Gen Virol. 1967 Apr;1(2):175-8.
  13. Lalchhandama, Kholhring. (2020). The chronicles of coronaviruses: the bronchitis, the hepatitis and the common cold. Science Vision. 20. 43-53. 10.33493/scivis.20.01.04.
  14. WHO-convened global study of origins of SARS-CoV-2: China Part. Joint WHO-China Study Team report 14 January-10 February 2021.
  15. Holmes, Edward C, Goldstein, Stephen A, Rasmussen, Angela L, Robertson, David L, Crits-Christoph, Alexander, Wertheim, Joel O, Anthony, Simon J, Barclay, Wendy S, Boni, Maciej F, Doherty, Peter C, Farrar, Jeremy, Geoghegan, Jemma L, Jiang, Xiaowei, Leibowitz, Julian L, Neil, Stuart J D, Skern, Tim, Weiss, Susan R, Worobey, Michael, Andersen, Kristian G, … Rambaut, Andrew. (2021). The Origins of SARS-CoV-2: A Critical Review (1.0). Zenodo (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  16. Facebookpost Frank Gerards 10159265910678213 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  17. Kim JM, Chung YS, Jo HJ, Lee NJ, Kim MS, Woo SH, Park S, Kim JW, Kim HM, Han MG. Identification of Coronavirus Isolated from a Patient in Korea with COVID-19. Osong Public Health Res Perspect. 2020 Feb;11(1):3-7.
  18. Park WB, Kwon NJ, Choi SJ, Kang CK, Choe PG, Kim JY, Yun J, Lee GW, Seong MW, Kim NJ, Seo JS, Oh MD. Virus Isolation from the First Patient with SARS-CoV-2 in Korea. J Korean Med Sci. 2020 Feb 24;35(7):e84.
  19. Harcourt J, Tamin A, Lu X, Kamili S, Sakthivel SK, Murray J, Queen K, Tao Y, Paden CR, Zhang J, Li Y, Uehara A, Wang H, Goldsmith C, Bullock HA, Wang L, Whitaker B, Lynch B, Gautam R, Schindewolf C, Lokugamage KG, Scharton D, Plante JA, Mirchandani D, Widen SG, Narayanan K, Makino S, Ksiazek TG, Plante KS, Weaver SC, Lindstrom S, Tong S, Menachery VD, Thornburg NJ. Isolation and characterization of SARS-CoV-2 from the first US COVID-19 patient. BioRxiv [Preprint]. 2020 Mar 7:2020.03.02.972935.
  20. Caly L, Druce J, Roberts J, Bond K, Tran T, Kostecki R, Yoga Y, Naughton W, Taiaroa G, Seemann T, Schultz MB, Howden BP, Korman TM, Lewin SR, Williamson DA, Catton MG. Isolation and rapid sharing of the 2019 novel coronavirus (SARS-CoV-2) from the first patient diagnosed with COVID-19 in Australia. Med J Aust. 2020 Jun;212(10):459-462.
  21. Pavel STI, Yetiskin H, Aydin G, Holyavkin C, Uygut MA, Dursun ZB, Celik İ, Cevik C, Ozdarendeli A. Isolation and characterization of severe acute respiratory syndrome coronavirus 2 in Turkey. PLoS One. 2020 Sep 16;15(9):e0238614.
  22. Araujo DB, Machado RRG, Amgarten DE, Malta FM, de Araujo GG, Monteiro CO, Candido ED, Soares CP, de Menezes FG, Pires ACC, Santana RAF, Viana AO, Dorlass E, Thomazelli L, Ferreira LCS, Botosso VF, Carvalho CRG, Oliveira DBL, Pinho JRR, Durigon EL. SARS-CoV-2 isolation from the first reported patients in Brazil and establishment of a coordinated task network. Mem Inst Oswaldo Cruz. 2020 Oct 23;115:e200342.
  23. Díaz FJ, Aguilar-Jiménez W, Flórez-Álvarez L, Valencia G, Laiton-Donato K, Franco-Muñoz C, Álvarez-Díaz D, Mercado-Reyes M, Rugeles MT. Isolation and characterization of an early SARS-CoV-2 isolate from the 2020 epidemic in Medellín, Colombia. Biomedica. 2020 Oct 30;40(Supl. 2):148-158. English, Spanish.
  24. Licastro D, Rajasekharan S, Dal Monego S, Segat L, D’Agaro P, Marcello A. Isolation and Full-Length Genome Characterization of SARS-CoV-2 from COVID-19 Cases in Northern Italy. J Virol. 2020 May 18;94(11):e00543-20.
  25. van Kampen JJA, van de Vijver DAMC, Fraaij PLA, Haagmans BL, Lamers MM, Okba N, van den Akker JPC, Endeman H, Gommers DAMPJ, Cornelissen JJ, Hoek RAS, van der Eerden MM, Hesselink DA, Metselaar HJ, Verbon A, de Steenwinkel JEM, Aron GI, van Gorp ECM, van Boheemen S, Voermans JC, Boucher CAB, Molenkamp R, Koopmans MPG, Geurtsvankessel C, van der Eijk AA. Duration and key determinants of infectious virus shedding in hospitalized patients with coronavirus disease-2019 (COVID-19). Nat Commun. 2021 Jan 11;12(1):267.
  26. Laue M, Kauter A, Hoffmann T, Möller L, Michel J, Nitsche A. Morphometry of SARS-CoV and SARS-CoV-2 particles in ultrathin plastic sections of infected Vero cell cultures. Sci Rep. 2021 Feb 10;11(1):3515.
  27. Stelzer-Braid S, Walker GJ, Aggarwal A, Isaacs SR, Yeang M, Naing Z, Ospina Stella A, Turville SG, Rawlinson WD. Virus isolation of severe acute respiratory syndrome coronavirus 2 (SARS-CoV-2) for diagnostic and research purposes. Pathology. 2020 Dec;52(7):760-763.
  28. WHO. Laboratory biosafety guidance related to the novel coronavirus (2019-nCoV). Interim guidance 12 February 2020 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  29. Bao L, Deng W, Huang B, Gao H, Liu J, Ren L, Wei Q, Yu P, Xu Y, Qi F, Qu Y, Li F, Lv Q, Wang W, Xue J, Gong S, Liu M, Wang G, Wang S, Song Z, Zhao L, Liu P, Zhao L, Ye F, Wang H, Zhou W, Zhu N, Zhen W, Yu H, Zhang X, Guo L, Chen L, Wang C, Wang Y, Wang X, Xiao Y, Sun Q, Liu H, Zhu F, Ma C, Yan L, Yang M, Han J, Xu W, Tan W, Peng X, Jin Q, Wu G, Qin C. The pathogenicity of SARS-CoV-2 in hACE2 transgenic mice. Nature. 2020 Jul;583(7818):830-833.
  30. Rivers TM. Viruses and Koch’s Postulates. J Bacteriol. 1937;33(1):1-12. PubMed PMID: 16559982.
  31. Zhu N, Wang W, Liu Z, Liang C, Wang W, Ye F, Huang B, Zhao L, Wang H, Zhou W, Deng Y, Mao L, Su C, Qiang G, Jiang T, Zhao J, Wu G, Song J, Tan W. Morphogenesis and cytopathic effect of SARS-CoV-2 infection in human airway epithelial cells. Nat Commun. 2020 Aug 6;11(1):3910.
  32. Zupin L, Fontana F, Gratton R, Milani M, Clemente L, Pascolo L, Ruscio M, Crovella S. SARS-CoV-2 Short-Time Infection Produces Relevant Cytopathic Effects in Vero E6 Cell Line. Int J Environ Res Public Health. 2021 Aug 26;18(17):9020.
  33. Rockx B, Kuiken T, Herfst S, Bestebroer T, Lamers MM, Oude Munnink BB, de Meulder D, van Amerongen G, van den Brand J, Okba NMA, Schipper D, van Run P, Leijten L, Sikkema R, Verschoor E, Verstrepen B, Bogers W, Langermans J, Drosten C, Fentener van Vlissingen M, Fouchier R, de Swart R, Koopmans M, Haagmans BL. Comparative pathogenesis of COVID-19, MERS, and SARS in a nonhuman primate model. Science. 2020 May 29;368(6494):1012-1015.
  34. Bettini E, Locci M. SARS-CoV-2 mRNA Vaccines: Immunological Mechanism and Beyond. Vaccines (Basel). 2021 Feb 12;9(2):147.
  35. Cai C, Peng Y, Shen E, Huang Q, Chen Y, Liu P, Guo C, Feng Z, Gao L, Zhang X, Gao Y, Liu Y, Han Y, Zeng S, Shen H. A comprehensive analysis of the efficacy and safety of COVID-19 vaccines. Mol Ther. 2021 Sep 1;29(9):2794-2805.
  36. Facebookpost Frank Gerards 10159004209568213 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  37. RIVM. Richtlijn COVID-19 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  38. Ioannidis JPA. Reconciling estimates of global spread and infection fatality rates of COVID-19: An overview of systematic evaluations. Eur J Clin Invest. 2021 May;51(5):e13554.
  39. Meyerowitz-Katz G, Merone L. A systematic review and meta-analysis of published research data on COVID-19 infection fatality rates. Int J Infect Dis. 2020 Dec;101:138-148.
  40. RIVM. PIENTER Corona studie, resultaten (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  41. CDC. Disease Burden of Influenza (link). Geraadpleegd: 212 oktober 2021
  42. Wilson N, Kvalsvig A, Barnard LT et al. (2020). Case-fatality risk estimates for COVID-19 calculated by using a lag time for fatality. Emerg Infect Dis. 2020 Jun; 26(6): 1339–1441.
  43. WHO. Coronavirus disease (COVID-19): Similarities and differences with influenza (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  44. Our World In Data. Mortality Risk of COVID-19, publicatiedatum: 21-5-2021 00:00 (link). Geraadpleegd: 24 september 2021
  45. Green MS, Peer V, Schwartz N, Nitzan D (2020) The confounded crude case-fatality rates (CFR) for COVID-19 hide more than they reveal—a comparison of age-specific and age-adjusted CFRs between seven countries. PLoS ONE 15(10): e0241031.
  46. Piroth L, Cottenet J, Mariet AS, Bonniaud P, Blot M, Tubert-Bitter P, Quantin C. Comparison of the characteristics, morbidity, and mortality of COVID-19 and seasonal influenza: a nationwide, population-based retrospective cohort study. Lancet Respir Med. 2021 Mar;9(3):251-259.
  47. CBS; Stoeldraijer L, Traag T, Harmsen C. Oversterfte tijdens eerste golf corona-epidemie bijna dubbel zo hoog als tijdens griepepidemie (link). Geraadpleegd: 21 oktober 20121
  48. Lopez-Leon S, Wegman-Ostrosky T, Perelman C, Sepulveda R, Rebolledo PA, Cuapio A, Villapol S. More than 50 long-term effects of COVID-19: a systematic review and meta-analysis. Sci Rep. 2021 Aug 9;11(1):16144.
  49. Neufeld KJ, Leoutsakos JS, Yan H, Lin S, Zabinski JS, Dinglas VD, Hosey MM, Parker AM, Hopkins RO, Needham DM. Fatigue Symptoms During the First Year Following ARDS. Chest. 2020 Sep;158(3):999-1007.
  50. National Institute for Health and Care Excellence. COVID-19 rapid guideline: managing the long-term effects of COVID-19 NICE guideline; c2020.
  51. Datta SD, Talwar A, Lee JT. A proposed framework and timeline of the spectrum of disease due to SARS-CoV-2 infection: illness beyond acute infection and public health implications. JAMA2020;324:2251-2.
  52. Crook H, Raza S, Nowell J, Young M, Edison P. Long covid-mechanisms, risk factors, and management. BMJ. 2021 Jul 26;374:n1648.
  53. RIVM. LongCOVID-onderzoek (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  54. RIVM. Long (langdurige) COVID (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  55. Www.ons.gov.uk. Technical article: Updated estimates of the prevalence of post-acute symptoms among people with coronavirus (COVID-19) in the UK: 26 April 2020 to 1 August 202 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  56. RIVM. Long COVID ook na milde corona: tussentijdse resultaten (link) Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  57. Taquet M, Dercon Q, Luciano S, Geddes JR, Husain M, Harrison PJ. Incidence, co-occurrence, and evolution of long-COVID features: A 6-month retrospective cohort study of 273,618 survivors of COVID-19. PLoS Med. 2021 Sep 28;18(9):e1003773.
  58. Malas MB, Naazie IN, Elsayed N, Mathlouthi A, Marmor R, Clary B. Thromboembolism risk of COVID-19 is high and associated with a higher risk of mortality: A systematic review and meta-analysis. EClinicalMedicine. 2020 Dec;29:100639.
  59. Xiong, X., Chi, J. & Gao, Q. Prevalence and risk factors of thrombotic events on patients with COVID-19: a systematic review and meta‐analysis. Thrombosis J 19, 32 (2021).
  60. Morris G, Bortolasci CC, Puri BK, Olive L, Marx W, O’Neil A, et al. Preventing the development of severe COVID-19 by modifying immunothrombosis. Life Sci. 2021;264:118617.
  61. Klok FA, Kruip MJHA, van der Meer NJM, Arbous MS, Gommers D, Kant KM, Kaptein FHJ, van Paassen J, Stals MAM, Huisman MV, Endeman H. Confirmation of the high cumulative incidence of thrombotic complications in critically ill ICU patients with COVID-19: An updated analysis. Thromb Res. 2020 Jul;191:148-150.
  62. Ackermann M, Anders HJ, Bilyy R, Bowlin GL, Daniel C, De Lorenzo R, Egeblad M, Henneck T, Hidalgo A, Hoffmann M, Hohberger B, Kanthi Y, Kaplan MJ, Knight JS, Knopf J, Kolaczkowska E, Kubes P, Leppkes M, Mahajan A, Manfredi AA, Maueröder C, Maugeri N, Mitroulis I, Muñoz LE, Narasaraju T, Naschberger E, Neeli I, Ng LG, Radic MZ, Ritis K, Rovere-Querini P, Schapher M, Schauer C, Simon HU, Singh J, Skendros P, Stark K, Stürzl M, van der Vlag J, Vandenabeele P, Vitkov L, von Köckritz-Blickwede M, Yanginlar C, Yousefi S, Zarbock A, Schett G, Herrmann M. Patients with COVID-19: in the dark-NETs of neutrophils. Cell Death Differ. 2021 May 24:1–15.
  63. Stals M, Grootenboers M, van Guldener C, Kaptein F, Braken S, Chen Q, Chu G, van Driel EM, Iglesias Del Sol A, de Jonge E, Kant KM, Pals F, Toorop M, Cannegieter SC, Klok FA, Huisman MV; Dutch COVID, Thrombosis Coalition (DCTC). Risk of thrombotic complications in influenza versus COVID-19 hospitalized patients. Res Pract Thromb Haemost. 2021 Feb 17;5(3):412–20.
  64. Lachant D, Roto D, Rappaport S, Prasad P, Lachant N, White RJ. Venous thromboembolism associates with SARS-CoV-2 more than seasonal influenza. Thromb Res. 2021 Sep;205:40-43.
  65. Zuo Y, Yalavarthi S, Shi H, Gockman K, Zuo M, Madison JA, et al. Neutrophil extracellular traps in COVID-19. JCI Insight. 2020;5:e138999.
  66. Middleton EA, He XY, Denorme F, Campbell RA, Ng D, Salvatore SP, et al. Neutrophil extracellular traps contribute to immunothrombosis in COVID-19 acute respiratory distress syndrome. Blood. 2020;136:1169–79.
  67. Facebookpost Frank Gerards 10159132649778213 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  68. RIVM. Welke infectieziekten zijn meldingsplichtig? (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  69. Overheid.nl. Regeling 2019-nCoV (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  70. RIVM. Meldingsplichtige ziekten (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  71. WHO. Home/Newsroom/Fact sheets/Detail/Rabies (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  72. WHO. Home/Health topics/Lassa fever (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  73. Facebookpost Chero Western 937634900307662 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  74. Marty FM, Chen K, Verrill KA. How to Obtain a Nasopharyngeal Swab Specimen. N Engl J Med. 2020 May 28;382(22):e76.
  75. Roche. Roche corona zelftest ondiepe neustest (25 stuks) (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  76. Roche. Roche Diagnostics Nederland BV. Belangrijke informatie Point of Care Solutions. Almere, 28 mei 2021
    Weggooien controle-wattenstaafjes van de SARS-CoV-2 Rapid Antigen Test Nasal bij gebruik als zelftest (pdf).
  77. Facebookpost Wim Smit story_fbid=1994064270760228&id=100004700237838 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  78. RIVM. Weekcijfers (link). Geraadpleegd: 15  juli 2021
  79. Facebookpost Erik-Alexander Richter 3648286205272283 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  80. RIVM. The PCR test. Modification date 07/13/2021 – 13:10 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  81. Tweet Hans van Tellingen 1418973393723002884 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  82. CDC. 07/21/2021: Lab Alert: Changes to CDC RT-PCR for SARS-CoV-2 Testing (link). Geraadpleegd: 21  oktober 2021
  83. FDA. CDC 2019-nCoV Real-Time RT-PCR Diagnostic Panel – Letter of Authorization (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  84. CDC. CDC’s Influenza SARS-CoV-2 Multiplex Assay and Required Supplies (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  85. Facebookpost NOS 5024958027519715 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  86. RIVM. Aanvullende informatie diagnostiek COVID-19 Bijlage bij de LCI-richtlijn COVID-19 | Versie 2 augustus 2021 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  87. World Unity. Het spike-eiwit is giftig (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  88. Omny.fm. New peer reviewed study on COVID-19 vaccines suggests why heart inflammation, blood clots and other dangerous side effects occur (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  89. Ogata AF, Cheng CA, Desjardins M, Senussi Y, Sherman AC, Powell M, Novack L, Von S, Li X, Baden LR, Walt DR. Circulating SARS-CoV-2 Vaccine Antigen Detected in the Plasma of mRNA-1273 Vaccine Recipients. Clin Infect Dis. 2021 May 20:ciab465.
  90. SARS-CoV-2 mRNA Vaccine (BNT162, PF-07302048) (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  91. EMA. Assessment report. Comirnaty Common name: COVID-19 mRNA vaccine (nucleoside-modified). Procedure No. EMEA/H/C/005735/0000. 19 February 2021 (pdf)
  92. Raghavan S, Kenchappa DB, Leo MD. SARS-CoV-2 Spike Protein Induces Degradation of Junctional Proteins That Maintain Endothelial Barrier Integrity. Front Cardiovasc Med. 2021 Jun 11;8:687783.
  93. Suzuki YJ, Nikolaienko SI, Dibrova VA, Dibrova YV, Vasylyk VM, Novikov MY, Shults NV, Gychka SG. SARS-CoV-2 spike protein-mediated cell signaling in lung vascular cells. Vascul Pharmacol. 2021 Apr;137:106823.
  94. Nuovo GJ, Magro C, Shaffer T, Awad H, Suster D, Mikhail S, He B, Michaille JJ, Liechty B, Tili E. Endothelial cell damage is the central part of COVID-19 and a mouse model induced by injection of the S1 subunit of the spike protein. Ann Diagn Pathol. 2021 Apr;51:151682.
  95. Lei Y, Zhang J, Schiavon CR, He M, Chen L, Shen H, Zhang Y, Yin Q, Cho Y, Andrade L, Shadel GS, Hepokoski M, Lei T, Wang H, Zhang J, Yuan JX, Malhotra A, Manor U, Wang S, Yuan ZY, Shyy JY. SARS-CoV-2 Spike Protein Impairs Endothelial Function via Downregulation of ACE 2. Circ Res. 2021 Apr 30;128(9):1323-1326.
  96. American Society of Reproductive Medicine (ASRM), American College of Obstetricians and Gynecologists (ACOG) and the Society for Maternal-Fetal Medicine (SMFM) Issue Joint Statement: Medical Experts Continue to Assert that COVID Vaccines Do Not Impact Fertility. February 5, 2021 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  97. American Academy of Pediatrics (AAP). About the COVID-19 Vaccine: Frequently Asked Questions (link). Geraadpleegd: 10 oktober 2021
  98. American College of Obstetricians and Gynecologists (ACOG). COVID-19 Vaccination Considerations for Obstetric–Gynecologic Care (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  99. American Society for Reproductive Medicine (ASRM) Patient Management and Clinical Recommendations During the Coronavirus (COVID-19) Pandemic: UPDATE No. 16 – Reproductive Facts Regarding COVID-19 Vaccination (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  100. Ontario Agency for Health Protection and Promotion (Public Health Ontario). COVID-19 vaccines and fertility. Toronto, ON: Queen’s Printer for Ontario; 2021 (pdf).
  101. RIVM. Pregnancy and COVID-19 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  102. Kloc M, Uosef A, Kubiak JZ, Ghobrial RM. Exaptation of Retroviral Syncytin for Development of Syncytialized Placenta, Its Limited Homology to the SARS-CoV-2 Spike Protein and Arguments against Disturbing Narrative in the Context of COVID-19 Vaccination. Biology (Basel). 2021 Mar 19;10(3):238.
  103. Shanes ED, Otero S, Mithal LB, Mupanomunda CA, Miller ES, Goldstein JA. Severe Acute Respiratory Syndrome Coronavirus 2 (SARS-CoV-2) Vaccination in Pregnancy: Measures of Immunity and Placental Histopathology. Obstet Gynecol. 2021 Aug 1;138(2):281-283.
  104. Kharbanda EO, Haapala J, DeSilva M, Vazquez-Benitez G, Vesco KK, Naleway AL, Lipkind HS. Spontaneous Abortion Following COVID-19 Vaccination During Pregnancy. JAMA. 2021 Sep 8:e2115494.
  105. Zauche LH, Wallace B, Smoots AN, Olson CK, Oduyebo T, Kim SY, Petersen EE, Ju J, Beauregard J, Wilcox AJ, Rose CE, Meaney-Delman DM, Ellington SR; CDC v-safe Covid-19 Pregnancy Registry Team. Receipt of mRNA Covid-19 Vaccines and Risk of Spontaneous Abortion. N Engl J Med. 2021 Sep 8:NEJMc2113891.
  106. Polack FP, Thomas SJ, Kitchin N, Absalon J, Gurtman A, Lockhart S, Perez JL, Pérez Marc G, Moreira ED, Zerbini C, Bailey R, Swanson KA, Roychoudhury S, Koury K, Li P, Kalina WV, Cooper D, Frenck RW Jr, Hammitt LL, Türeci Ö, Nell H, Schaefer A, Ünal S, Tresnan DB, Mather S, Dormitzer PR, Şahin U, Jansen KU, Gruber WC; C4591001 Clinical Trial Group. Safety and Efficacy of the BNT162b2 mRNA Covid-19 Vaccine. N Engl J Med. 2020 Dec 31;383(27):2603-2615.
  107. Thomas SJ, Moreira ED, Kitchin N et al. Six Month Safety and Efficacy of the BNT162b2 mRNA COVID-19 Vaccine. MedRxiv 2021.07.28.21261159.
  108. Tros Radar. Coronavaccin: onderzoekers positief maar benoemen ook beperkingen (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  109. Pfizer. A phase 1/2 study to describe te safety, tolerability, immunogenetici and potential efficacy of RNA vaccine candidates against COVID-19 in healthy adults. Final protocol 15 april 2020 (pdf).
  110. ClinicalTrials.gov Identifier: NCT04368728 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  111. Facebookpost Erik-Alexander Richter 3582453405188897 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  112. Heinz FX, Stiasny K. Distinguishing features of current COVID-19 vaccines: knowns and unknowns of antigen presentation and modes of action. NPJ Vaccines. 2021 Aug 16;6(1):104.
  113. Schoenmaker L, Witzigmann D, Kulkarni JA, Verbeke R, Kersten G, Jiskoot W, Crommelin DJA. mRNA-lipid nanoparticle COVID-19 vaccines: Structure and stability. Int J Pharm. 2021 May 15;601:120586.
  114. Bettini E, Locci M. SARS-CoV-2 mRNA Vaccines: Immunological Mechanism and Beyond. Vaccines (Basel). 2021 Feb 12;9(2):147.
  115. CDC. Outbreak of SARS-CoV-2 Infections, Including COVID-19 Vaccine Breakthrough Infections, Associated with Large Public Gatherings — Barnstable County, Massachusetts, July 2021. August 6, 2021. (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  116. CDC. Science Brief: COVID-19 Vaccines and Vaccination. Updated July 27, 2021 (link). Geraadpleegd: 10 oktober 2021
  117. Elliott P, Haw D, Wang H, Eales O, Walters C, Ainslie K, Atchison C, Fronterre C, Diggle P, Page A, Trotter A, Prosolek S, (COG-UK) TCGUKC, Ashby D, Donnelly C, Barclay W, Cooke G, Ward H, Darzi A,Riley S. REACT-1 round 13 final report: exponential growth, high prevalence of SARS-CoV-2 and vaccine effectiveness associated with Delta variant in England during May to July 2021.  (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  118. Edara VV, Pinsky BA, Suthar MS, Lai L, Davis-Gardner ME, Floyd K, Flowers MW, Wrammert J, Hussaini L, Ciric CR, Bechnak S, Stephens K, Graham BS, Bayat Mokhtari E, Mudvari P, Boritz E, Creanga A, Pegu A, Derrien-Colemyn A, Henry AR, Gagne M, Douek DC, Sahoo MK, Sibai M, Solis D, Webby RJ, Jeevan T, Fabrizio TP. Infection and Vaccine-Induced Neutralizing-Antibody Responses to the SARS-CoV-2 B.1.617 Variants. N Engl J Med. 2021 Jul 7.
  119. Liu J, Liu Y, Xia H, Zou J, Weaver SC, Swanson KA, Cai H, Cutler M, Cooper D, Muik A, Jansen KU, Sahin U, Xie X, Dormitzer PR, Shi PY. BNT162b2-elicited neutralization of B.1.617 and other SARS-CoV-2 variants. Nature. 2021 Jun 10.
  120. Lopez Bernal J, Andrews N, Gower C, Gallagher E, Simmons R, Thelwall S, Stowe J, Tessier E, Groves N, Dabrera G, Myers R, Campbell CNJ, Amirthalingam G, Edmunds M, Zambon M, Brown KE, Hopkins S, Chand M, Ramsay M. Effectiveness of Covid-19 Vaccines against the B.1.617.2 (Delta) Variant. N Engl J Med. 2021 Jul 21:NEJMoa2108891.
  121. Haas EJ, Angulo FJ, McLaughlin JM, Anis E, Singer SR, Khan F, Brooks N, Smaja M, Mircus G, Pan K, Southern J, Swerdlow DL, Jodar L, Levy Y, Alroy-Preis S. Impact and effectiveness of mRNA BNT162b2 vaccine against SARS-CoV-2 infections and COVID-19 cases, hospitalisations, and deaths following a nationwide vaccination campaign in Israel: an observational study using national surveillance data. Lancet. 2021 May 15;397(10287):1819-1829.
  122. Baden LR, El Sahly HM, Essink B, Kotloff K, Frey S, Novak R, Diemert D, Spector SA, Rouphael N, Creech CB, McGettigan J, Khetan S, Segall N, Solis J, Brosz A, Fierro C, Schwartz H, Neuzil K, Corey L, Gilbert P, Janes H, Follmann D, Marovich M, Mascola J, Polakowski L, Ledgerwood J, Graham BS, Bennett H, Pajon R, Knightly C, Leav B, Deng W, Zhou H, Han S, Ivarsson M, Miller J, Zaks T; COVE Study Group. Efficacy and Safety of the mRNA-1273 SARS-CoV-2 Vaccine. N Engl J Med. 2021 Feb 4;384(5):403-416.
  123. Sadoff J, Gray G, Vandebosch A, Cárdenas V, Shukarev G, Grinsztejn B, Goepfert PA, Truyers C, Fennema H, Spiessens B, Offergeld K, Scheper G, Taylor KL, Robb ML, Treanor J, Barouch DH, Stoddard J, Ryser MF, Marovich MA, Neuzil KM, Corey L, Cauwenberghs N, Tanner T, Hardt K, Ruiz-Guiñazú J, Le Gars M, Schuitemaker H, Van Hoof J, Struyf F, Douoguih M; ENSEMBLE Study Group. Safety and Efficacy of Single-Dose Ad26.COV2.S Vaccine against Covid-19. N Engl J Med. 2021 Jun 10;384(23):2187-2201.
  124. Lopez Bernal J, Andrews N, Gower C, Robertson C, Stowe J, Tessier E, Simmons R, Cottrell S, Roberts R, O’Doherty M, Brown K, Cameron C, Stockton D, McMenamin J, Ramsay M. Effectiveness of the Pfizer-BioNTech and Oxford-AstraZeneca vaccines on covid-19 related symptoms, hospital admissions, and mortality in older adults in England: test negative case-control study. BMJ. 2021 May 13;373:n1088.
  125. Voysey M, Costa Clemens SA, Madhi SA, Weckx LY, Folegatti PM, Aley PK, Angus B, Baillie VL, Barnabas SL, Bhorat QE, Bibi S, Briner C, Cicconi P, Clutterbuck EA, Collins AM, Cutland CL, Darton TC, Dheda K, Dold C, Duncan CJA, Emary KRW, Ewer KJ, Flaxman A, Fairlie L, Faust SN, Feng S, Ferreira DM, Finn A, Galiza E, Goodman AL, Green CM, Green CA, Greenland M, Hill C, Hill HC, Hirsch I, Izu A, Jenkin D, Joe CCD, Kerridge S, Koen A, Kwatra G, Lazarus R, Libri V, Lillie PJ, Marchevsky NG, Marshall RP, Mendes AVA, Milan EP, Minassian AM, McGregor A, Mujadidi YF, Nana A, Padayachee SD, Phillips DJ, Pittella A, Plested E, Pollock KM, Ramasamy MN, Ritchie AJ, Robinson H, Schwarzbold AV, Smith A, Song R, Snape MD, Sprinz E, Sutherland RK, Thomson EC, Török ME, Toshner M, Turner DPJ, Vekemans J, Villafana TL, White T, Williams CJ, Douglas AD, Hill AVS, Lambe T, Gilbert SC, Pollard AJ; Oxford COVID Vaccine Trial Group. Single-dose administration and the influence of the timing of the booster dose on immunogenicity and efficacy of ChAdOx1 nCoV-19 (AZD1222) vaccine: a pooled analysis of four randomised trials. Lancet. 2021 Mar 6;397(10277):881-891.
  126. Kow CS, Hasan SS. Real-world effectiveness of BNT162b2 mRNA vaccine: a meta-analysis of large observational studies. Inflammopharmacology. 2021 Aug;29(4):1075-1090.
  127. Voysey M, Clemens SAC, Madhi SA, Weckx LY, Folegatti PM, Aley PK, Angus B, Baillie VL, Barnabas SL, Bhorat QE, Bibi S, Briner C, Cicconi P, Collins AM, Colin-Jones R, Cutland CL, Darton TC, Dheda K, Duncan CJA, Emary KRW, Ewer KJ, Fairlie L, Faust SN, Feng S, Ferreira DM, Finn A, Goodman AL, Green CM, Green CA, Heath PT, Hill C, Hill H, Hirsch I, Hodgson SHC, Izu A, Jackson S, Jenkin D, Joe CCD, Kerridge S, Koen A, Kwatra G, Lazarus R, Lawrie AM, Lelliott A, Libri V, Lillie PJ, Mallory R, Mendes AVA, Milan EP, Minassian AM, McGregor A, Morrison H, Mujadidi YF, Nana A, O’Reilly PJ, Padayachee SD, Pittella A, Plested E, Pollock KM, Ramasamy MN, Rhead S, Schwarzbold AV, Singh N, Smith A, Song R, Snape MD, Sprinz E, Sutherland RK, Tarrant R, Thomson EC, Török ME, Toshner M, Turner DPJ, Vekemans J, Villafana TL, Watson MEE, Williams CJ, Douglas AD, Hill AVS, Lambe T, Gilbert SC, Pollard AJ; Oxford COVID Vaccine Trial Group. Safety and efficacy of the ChAdOx1 nCoV-19 vaccine (AZD1222) against SARS-CoV-2: an interim analysis of four randomised controlled trials in Brazil, South Africa, and the UK. Lancet. 2021 Jan 9;397(10269):99-111.
  128. RIVM. Effectiviteit van COVID-19 vaccinatie tegen ziekenhuis- en intensive-care-opname in Nederland (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  129. Keehner J, Horton LE, Binkin NJ, Laurent LC, Pride D, Longhurst CA, Abeles SR, Torriani FJ. Resurgence of SARS-CoV-2 Infection in a Highly Vaccinated Health System Workforce. N Engl J Med. 2021 Sep 1.
  130. de Gier B, Kooijman M, Kemmeren J, de Keizer N, Dongelmans D, van Iersel SCJL, van de Kassteele J, Andeweg SP, the RIVM COVID-19 epidemiology and surveillance team, de Melker HE, Hahné SJM, Knol MJ, van den Hof S. COVID-19 vaccine effectiveness against hospitalizations and ICU admissions in the Netherlands, April- August 2021. MedRxiv 2021.09.15.21263613,
  131. Doria-Rose N, Suthar MS, Makowski M, O’Connell S, McDermott AB, Flach B, Ledgerwood JE, Mascola JR, Graham BS, Lin BC, O’Dell S, Schmidt SD, Widge AT, Edara VV, Anderson EJ, Lai L, Floyd K, Rouphael NG, Zarnitsyna V, Roberts PC, Makhene M, Buchanan W, Luke CJ, Beigel JH, Jackson LA, Neuzil KM, Bennett H, Leav B, Albert J, Kunwar P; mRNA-1273 Study Group. Antibody Persistence through 6 Months after the Second Dose of mRNA-1273 Vaccine for Covid-19. N Engl J Med. 2021 Jun 10;384(23):2259-2261.
  132. Tweede Kamer. Technische briefing woensdag 15 september 2021, presentatie prof. dr. Bart-Jan Kullberg, voorzitter Gezondheidsraad (link) (pdf).
  133. Ministery of Healy Israël. vaccine-efficacy-safety-follow-up-committee (pdf).
  134. RIVM. Nieuws: 4 op de 5 COVID-19-patiënten op de IC is niet gevaccineerd (link). Publicatiedatum 14-10-2021 | 17:05. Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  135. Tartof SY, Slezak JM, Fischer H, Hong V, Ackerson BK, Ranasinghe ON, Frankland TB, Ogun OA, Zamparo JM, Gray S, Valluri SR, Pan K, Angulo FJ, Jodar L, McLaughlin JM. Effectiveness of mRNA BNT162b2 COVID-19 vaccine up to 6 months in a large integrated health system in the USA: a retrospective cohort study. Lancet. 2021 Oct 16;398(10309):1407-1416.
  136. Goel RR, Painter MM, Apostolidis SA, Mathew D, Meng W, Rosenfeld AM, Lundgreen KA, Reynaldi A, Khoury DS, Pattekar A, Gouma S, Kuri-Cervantes L, Hicks P, Dysinger S, Hicks A, Sharma H, Herring S, Korte S, Baxter AE, Oldridge DA, Giles JR, Weirick ME, McAllister CM, Awofolaju M, Tanenbaum N, Drapeau EM, Dougherty J, Long S, D’Andrea K, Hamilton JT, McLaughlin M, Williams JC, Adamski S, Kuthuru O; UPenn COVID Processing Unit, Frank I, Betts MR, Vella LA, Grifoni A, Weiskopf D, Sette A, Hensley SE, Davenport MP, Bates P, Luning Prak ET, Greenplate AR, Wherry EJ, Adamski S, Alam Z, Addison MM, Byrne KT, Chandra A, Descamps HC, Han N, Kaminskiy Y, Kammerman SC, Kim J, Greenplate AR, Hamilton JT, Markosyan N, Noll JH, Omran DK, Pattekar A, Perkey E, Prager EM, Pueschl D, Rennels A, Shah JB, Shilan JS, Wilhausen N, Vanderbeck AN. mRNA vaccines induce durable immune memory to SARS-CoV-2 and variants of concern. Science. 2021 Oct 14:eabm0829.
  137. Ciabattini A, Pastore G, Fiorino F, Polvere J, Lucchesi S, Pettini E, Auddino S, Rancan I, Durante M, Miscia M, Rossetti B, Fabbiani M, Montagnani F, Medaglini D. Evidence of SARS-CoV-2-Specific Memory B Cells Six Months After Vaccination With the BNT162b2 mRNA Vaccine. Front Immunol. 2021 Sep 28;12:740708.
  138. Montastruc JL, Biron P, Sommet A. Efficacy of COVID-19 vaccines: Several modes of expression should be presented in scientific publications. Fundam Clin Pharmacol. 2021 Jul 11:10.1111/fcp.12715.
  139. Barda N, Dagan N, Ben-Shlomo Y, Kepten E, Waxman J, Ohana R, Hernán MA, Lipsitch M, Kohane I, Netzer D, Reis BY, Balicer RD. Safety of the BNT162b2 mRNA Covid-19 Vaccine in a Nationwide Setting. N Engl J Med. 2021 Aug 25.
  140. Facebookpost Erik-Alexander Richter 3734355083332061 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  141. Dan JM, Mateus J, Kato Y, Hastie KM, Yu ED, Faliti CE, Grifoni A, Ramirez SI, Haupt S, Frazier A, Nakao C, Rayaprolu V, Rawlings SA, Peters B, Krammer F, Simon V, Saphire EO, Smith DM, Weiskopf D, Sette A, Crotty S. Immunological memory to SARS-CoV-2 assessed for up to 8 months after infection. Science. 2021 Feb 5;371(6529):eabf4063.
  142. Israel A, Shenhar Y, Green I, Merzon E, Golan-Cohen A, Schäffer AA, Ruppin E, Vinker S, Magen E. Large-scale study of antibody titer decay following BNT162b2 mRNA vaccine or SARS-CoV-2 infection. MedRxiv [Preprint]. 2021 Aug 21:2021.08.19.21262111.
  143. Ania Wajnberg, Fatima Amanat, Adolfo Firpo, Deena R. Altman, Mark J. Bailey, Mayce Mansour, Meagan McMahon, Philip Meade, Damodara Rao Mendu, Kimberly Muellers, Daniel Stadlbauer, Kimberly Stone, Shirin Strohmeier, Judith Aberg, David L. Reich, Florian Krammer, Carlos Cordon-Cardo. SARS-CoV-2 infection induces robust, neutralizing antibody responses that are stable for at least three months. MedRxiv 2020.07.14.20151126.
  144. Ibarrondo FJ, Fulcher JA, Goodman-Meza D, Elliott J, Hofmann C, Hausner MA, Ferbas KG, Tobin NH, Aldrovandi GM, Yang OO. Rapid Decay of Anti-SARS-CoV-2 Antibodies in Persons with Mild Covid-19. N Engl J Med. 2020 Sep 10;383(11):1085-1087.
  145. Long QX, Tang XJ, Shi QL, Li Q, Deng HJ, Yuan J, Hu JL, Xu W, Zhang Y, Lv FJ, Su K, Zhang F, Gong J, Wu B, Liu XM, Li JJ, Qiu JF, Chen J, Huang AL. Clinical and immunological assessment of asymptomatic SARS-CoV-2 infections. Nat Med. 2020 Aug;26(8):1200-1204.
  146. Gaebler C, Wang Z, Lorenzi JCC, Muecksch F, Finkin S, Tokuyama M, Cho A, Jankovic M, Schaefer-Babajew D, Oliveira TY, Cipolla M, Viant C, Barnes CO, Bram Y, Breton G, Hägglöf T, Mendoza P, Hurley A, Turroja M, Gordon K, Millard KG, Ramos V, Schmidt F, Weisblum Y, Jha D, Tankelevich M, Martinez-Delgado G, Yee J, Patel R, Dizon J, Unson-O’Brien C, Shimeliovich I, Robbiani DF, Zhao Z, Gazumyan A, Schwartz RE, Hatziioannou T, Bjorkman PJ, Mehandru S, Bieniasz PD, Caskey M, Nussenzweig MC. Evolution of antibody immunity to SARS-CoV-2. Nature. 2021 Mar;591(7851):639-644.
  147. Anderson EM, Eilola T, Goodwin E, Bolton MJ, Gouma S, Goel RR, Painter MM, Apostolidis SA, Mathew D, Dunbar D, Fiore D, Brock A, Weaver J, Millar JS, DerOhannessian S, The UPenn COVID Processing Unit, Greenplate AR, Frank I, Rader DJ, Wherry EJ, Hensley SE. SARS-CoV-2 infections elicit higher levels of original antigenic sin antibodies compared to SARS-CoV-2 mRNA vaccinations. MedRxiv 2021.09.30.21264363.
  148. Ebinger JE, Fert-Bober J, Printsev I, Wu M, Sun N, Prostko JC, Frias EC, Stewart JL, Van Eyk JE, Braun JG, Cheng S, Sobhani K. Antibody responses to the BNT162b2 mRNA vaccine in individuals previously infected with SARS-CoV-2. Nat Med. 2021 Jun;27(6):981-984.
  149. Callegaro A, Borleri D, Farina C, Napolitano G, Valenti D, Rizzi M, Maggiolo F. Antibody response to SARS-CoV-2 vaccination is extremely vivacious in subjects with previous SARS-CoV-2 infection. J Med Virol. 2021 Jul;93(7):4612-4615.
  150. Favresse J, Bayart JL, Mullier F, Dogné JM, Closset M, Douxfils J. Early antibody response in health-care professionals after two doses of SARS-CoV-2 mRNA vaccine (BNT162b2). Clin Microbiol Infect. 2021 May 8;27(9):1351.e5–7.
  151. Levi R, Azzolini E, Pozzi C, Ubaldi L, Lagioia M, Mantovani A, Rescigno M. One dose of SARS-CoV-2 vaccine exponentially increases antibodies in individuals who have recovered from symptomatic COVID-19. J Clin Invest. 2021 Jun 15;131(12):e149154.
  152. Saadat S, Rikhtegaran Tehrani Z, Logue J, Newman M, Frieman MB, Harris AD, Sajadi MM. Binding and Neutralization Antibody Titers After a Single Vaccine Dose in Health Care Workers Previously Infected With SARS-CoV-2. JAMA. 2021 Apr 13;325(14):1467-1469.
  153. Sivan Gazit, Roei Shlezinger, Galit Perez, Roni Lotan, Asaf Peretz, Amir Ben-Tov, Dani Cohen, Khitam Muhsen, Gabriel Chodick, Tal Patalon. Comparing SARS-CoV-2 natural immunity to vaccine-induced immunity: reinfections versus breakthrough infections. MedRxiv 2021.08.24.21262415.
  154. Alyson M, Cavanaugh DPT, Kevin B, Spicer MD, Thoroughman D, Glick C, Winter K. Reduced Risk of Reinfection with SARS-CoV-2 After COVID-19 Vaccination — Kentucky, May–June 2021. Morbidity and Mortality Weekly Report, August 13, 2021 / Vol. 70 / No. 32 (link). Geraadpleegd: 25 september 2021
  155. Koen B. Pouwels KB, Pritchard E, Matthews PC, et al and the COVID-19 Infection Survey Team. Impact of Delta on viral burden and vaccine effectiveness against new SARS-CoV-2 infections in the UK.
  156. Kasen K. Riemersma, Brittany E. Grogan, Amanda Kita-Yarbro, Peter J. Halfmann, Hannah E. Segaloff, Anna Kocharian, Kelsey R. Florek, Ryan Westergaard, Allen Bateman, Gunnar E. Jeppson, Yoshihiro Kawaoka, David H. O’Connor, Thomas C. Friedrich, Katarina M. Grande. Shedding of Infectious SARS-CoV-2 Despite Vaccination. MedRxiv 2021.07.31.21261387.
  157. Marc C. Shamier, Alma Tostmann, Susanne Bogers, Janet de Wilde, Jeroen IJpelaar, Willemijn A. van der Kleij, Herbert de Jager, Bart L. Haagmans, Richard Molenkamp, Bas. B. Oude Munnink, Carsten van Rossum, Janette Rahamat-Langendoen, Nannet van der Geest, Chantal P. Bleeker-Rovers, Heiman Wertheim, Marion P.G. Koopmans, Corine H. GeurtsvanKessel. Virological characteristics of SARS-CoV-2 vaccine breakthrough infections in health care workers. MedRxiv 2021.08.20.21262158.
  158. Brown CM, Vostok J, Johnson H, et al. Outbreak of SARS-CoV-2 Infections, Including COVID-19 Vaccine Breakthrough Infections, Associated with Large Public Gatherings — Barnstable County, Massachusetts, July 2021. MMWR Morb Mortal Wkly Rep 2021;70:1059-1062.
  159. Levine-Tiefenbrun M, Yelin I, Katz R, Herzel E, Golan Z, Schreiber L, Wolf T, Nadler V, Ben-Tov A, Kuint J, Gazit S, Patalon T, Chodick G, Kishony R. Initial report of decreased SARS-CoV-2 viral load after inoculation with the BNT162b2 vaccine. Nat Med. 2021 May;27(5):790-792.
  160. Harris RJ, Hall JA, Zaidi A, Andrews NJ, Dunbar JK, Dabrera G. Effect of Vaccination on Household Transmission of SARS-CoV-2 in England. N Engl J Med. 2021 Aug 19;385(8):759-760.
  161. Tweede Kamer. Technische briefing woensdag 15 september 2021, presentatie prof. dr. Bart-Jan Kullberg, voorzitter Gezondheidsraad (link) (pdf).
  162. Frel DL, Atsma DE, Pijl H, Seidell JC, Leenen PJM, Dik WA, van Rossum EFC. The Impact of Obesity and Lifestyle on the Immune System and Susceptibility to Infections Such as COVID-19. Front Nutr. 2020 Nov 19;7:597600.
  163. James PT, Ali Z, Armitage AE, Bonell A, Cerami C, Drakesmith H, Jobe M, Jones KS, Liew Z, Moore SE, Morales-Berstein F, Nabwera HM, Nadjm B, Pasricha SR, Scheelbeek P, Silver MJ, Teh MR, Prentice AM. The Role of Nutrition in COVID-19 Susceptibility and Severity of Disease: A Systematic Review. J Nutr. 2021 Jul 1;151(7):1854-1878.
  164. Zhao J, Yuan Q, Wang H, Liu W, Liao X, Su Y, Wang X, Yuan J, Li T, Li J, Qian S, Hong C, Wang F, Liu Y, Wang Z, He Q, Li Z, He B, Zhang T, Fu Y, Ge S, Liu L, Zhang J, Xia N, Zhang Z. Antibody Responses to SARS-CoV-2 in Patients With Novel Coronavirus Disease 2019. Clin Infect Dis. 2020 Nov 19;71(16):2027-2034.
  165. Cuevas JM, Geller R, Garijo R, López-Aldeguer J, Sanjuán R. Extremely High Mutation Rate of HIV-1 In Vivo. PLoS Biol. 2015 Sep 16;13(9):e1002251.
  166. Berndsen ZT, Chakraborty S, Wang X, Cottrell CA, Torres JL, Diedrich JK, López CA, Yates JR 3rd, van Gils MJ, Paulson JC, Gnanakaran S, Ward AB. Visualization of the HIV-1 Env glycan shield across scales. Proc Natl Acad Sci U S A. 2020 Nov 10;117(45):28014-28025.
  167. Fara A, Mitrev Z, Rosalia RA, Assas BM. Cytokine storm and COVID-19: a chronicle of pro-inflammatory cytokines. Open Biol. 2020 Sep;10(9):200160.
  168. Wang EY, Mao T, Klein J, Dai Y, Huck JD, Jaycox JR, Liu F, Zhou T, Israelow B, Wong P, Coppi A, Lucas C, Silva J, Oh JE, Song E, Perotti ES, Zheng NS, Fischer S, Campbell M, Fournier JB, Wyllie AL, Vogels CBF, Ott IM, Kalinich CC, Petrone ME, Watkins AE; Yale IMPACT Team, Dela Cruz C, Farhadian SF, Schulz WL, Ma S, Grubaugh ND, Ko AI, Iwasaki A, Ring AM. Diverse functional autoantibodies in patients with COVID-19. Nature. 2021 Jul;595(7866):283-288.
  169. Richter AG, Shields AM, Karim A, Birch D, Faustini SE, Steadman L, Ward K, Plant T, Reynolds G, Veenith T, Cunningham AF, Drayson MT, Wraith DC. Establishing the prevalence of common tissue-specific autoantibodies following severe acute respiratory syndrome coronavirus 2 infection. Clin Exp Immunol. 2021 Aug;205(2):99-105.
  170. Drake TM, Riad AM, Fairfield CJ, Egan C, Knight SR, Pius R, Hardwick HE, Norman L, Shaw CA, McLean KA, Thompson AAR, Ho A, Swann OV, Sullivan M, Soares F, Holden KA, Merson L, Plotkin D, Sigfrid L, de Silva TI, Girvan M, Jackson C, Russell CD, Dunning J, Solomon T, Carson G, Olliaro P, Nguyen-Van-Tam JS, Turtle L, Docherty AB, Openshaw PJ, Baillie JK, Harrison EM, Semple MG; ISARIC4C investigators. Characterisation of in-hospital complications associated with COVID-19 using the ISARIC WHO Clinical Characterisation Protocol UK: a prospective, multicentre cohort study. Lancet. 2021 Jul 17;398(10296):223-237.
  171. AFP News Agency. Tweet: Timeline of deadly plagues, epidemics and pandemics throughout history (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  172. CDC. 1918 Pandemic (H1N1 virus) (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  173. WHO. Home/Health topics/Plague (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  174. Xiao X, Newman C, Buesching CD, Macdonald DW, Zhou ZM. Animal sales from Wuhan wet markets immediately prior to the COVID-19 pandemic. Sci Rep. 2021 Jun 7;11(1):11898.
  175. Jackson B, Boni MF, Bull MJ, Colleran A, Colquhoun RM, Darby AC, Haldenby S, Hill V, Lucaci A, McCrone JT, Nicholls SM, O’Toole Á, Pacchiarini N, Poplawski R, Scher E, Todd F, Webster HJ, Whitehead M, Wierzbicki C; COVID-19 Genomics UK (COG-UK) Consortium, Loman NJ, Connor TR, Robertson DL, Pybus OG, Rambaut A. Generation and transmission of interlineage recombinants in the SARS-CoV-2 pandemic. Cell. 2021 Sep 30;184(20):5179-5188.e8.
  176. Our world in date. Our history is a battle against the microbes: we lost terribly before science, public health, and vaccines allowed us to protect ourselves (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  177. RIVM. LCI Richtlijn polio (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  178. Thompson MG, Burgess JL, Naleway AL, Tyner H, Yoon SK, Meece J, Olsho LEW, Caban-Martinez AJ, Fowlkes AL, Lutrick K, Groom HC, Dunnigan K, Odean MJ, Hegmann K, Stefanski E, Edwards LJ, Schaefer-Solle N, Grant L, Ellingson K, Kuntz JL, Zunie T, Thiese MS, Ivacic L, Wesley MG, Mayo Lamberte J, Sun X, Smith ME, Phillips AL, Groover KD, Yoo YM, Gerald J, Brown RT, Herring MK, Joseph G, Beitel S, Morrill TC, Mak J, Rivers P, Poe BP, Lynch B, Zhou Y, Zhang J, Kelleher A, Li Y, Dickerson M, Hanson E, Guenther K, Tong S, Bateman A, Reisdorf E, Barnes J, Azziz-Baumgartner E, Hunt DR, Arvay ML, Kutty P, Fry AM, Gaglani M. Prevention and Attenuation of Covid-19 with the BNT162b2 and mRNA-1273 Vaccines. N Engl J Med. 2021 Jul 22;385(4):320-329.
  179. Harris RJ, Hall JA, Zaidi A, Andrews NJ, Dunbar JK, Dabrera G. Effect of Vaccination on Household Transmission of SARS-CoV-2 in England. N Engl J Med. 2021 Jun 23:NEJMc2107717.
  180. de Gier Brechje, Andeweg Stijn, Joosten Rosa, ter Schegget Ronald, Smorenburg Naomi, van de Kassteele Jan, RIVM COVID-19 surveillance and epidemiology team 1,, Hahné Susan JM, van den Hof Susan, de Melker Hester E, Knol Mirjam J. Vaccine effectiveness against SARS-CoV-2 transmission and infections among household and other close contacts of confirmed cases, the Netherlands, February to May 2021. Euro Surveill. 2021;26(31):pii=2100640.
  181. Ottavia Prunas, Joshua L. Warren, Forrest W. Crawford, Sivan Gazit, Tal Patalon, Daniel M. Weinberger, Virginia E. Pitzer. Vaccination with BNT162b2 reduces transmission of SARS-CoV-2 to household contacts in Israel. MedRxiv 2021.07.13.21260393.
  182. Shamier MC, Tostmann A, Bogers S, et al. Virological characteristics of SARS-CoV-2 vaccine breakthrough infections in health care workers. MedRxiv 2021.08.20.21262158.
  183. Frontnieuws.com. Studie: dubbel gevaccineerden sterven 6 keer vaker aan Deltavariant dan ongevaccineerden (link) Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  184. Public Health England. SARS-CoV-2 variants of concern and variants under investigation in England. Technical briefing 16 18 June 2021 (pdf).
  185. NCBI GenBank. Severe acute respiratory syndrome coronavirus 2 isolate Wuhan-Hu-1, complete genome
    (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  186. Robson F, Khan KS, Le TK, Paris C, Demirbag S, Barfuss P, Rocchi P, Ng WL. Coronavirus RNA Proofreading: Molecular Basis and Therapeutic Targeting. Mol Cell. 2020 Sep 3;79(5):710-727.
  187. RIVM. Varianten van het coronavirus SARS-CoV-2. Wijzigingsdatum 07-09-2021 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  188. Ting-Yu Yeh, Gregory P. Contreras. Full vaccination is imperative to suppress SARS-CoV-2 delta variant mutation frequency. MedRxiv 2021.08.08.21261768.
  189. Globalresearch.ca. Bombshell: Nobel Prize Winner Reveals – COVID Vaccine Is ‘Creating Variants’ (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  190. COVID-19 Dashboard by the Center for Systems Science and Engineering (CSSE) at Johns Hopkins University (JHU) (link). Geraadpleegd: 25 juli 2021
  191. Facebookpost Erik-Alexander Richter 3736876596413243 (link). Geraadpleegd: 21 oktober 2021
  192. Lempp FA, Soriaga L, Montiel-Ruiz M, Benigni F, Noack J, Park YJ, Bianchi S, Walls AC, Bowen JE, Zhou J, Kaiser H, Joshi A, Agostini M, Meury M, Dellota E Jr, Jaconi S, Cameroni E, Martinez-Picado J, Vergara-Alert J, Izquierdo-Useros N, Virgin HW, Lanzavecchia A, Veesler D, Purcell L, Telenti A, Corti D. Lectins enhance SARS-CoV-2 infection and influence neutralizing antibodies. Nature. 2021 Aug 31.
  193. Brown GD, Willment JA, Whitehead L. C-type lectins in immunity and homeostasis. Nat Rev Immunol. 2018 Jun;18(6):374-389.
  194. Thépaut M, Luczkowiak J, Vivès C, Labiod N, Bally I, Lasala F, Grimoire Y, Fenel D, Sattin S, Thielens N, Schoehn G, Bernardi A, Delgado R, Fieschi F. DC/L-SIGN recognition of spike glycoprotein promotes SARS-CoV-2 trans-infection and can be inhibited by a glycomimetic antagonist. PLoS Pathog. 2021 May 20;17(5):e1009576.
  195. Gadanec LK, McSweeney KR, Qaradakhi T, Ali B, Zulli A, Apostolopoulos V. Can SARS-CoV-2 Virus Use Multiple Receptors to Enter Host Cells? Int J Mol Sci. 2021 Jan 20;22(3):992.
  196. Geijtenbeek TB, Gringhuis SI. Signalling through C-type lectin receptors: shaping immune responses. Nat Rev Immunol. 2009 Jul;9(7):465-79.
  197. Zafran Khan, Daniya Ualiyeva, Dawood Ghafoor, Asaf Khan, Lectins A Hope of Treatment for COVID-19. Am J Biomed Sci & Res. 2021 – 12(3). AJBSR.MS.ID.001757.
  198. Nascimento da Silva LC, Mendonça JSP, de Oliveira WF, Batista KLR, Zagmignan A, Viana IFT, Dos Santos Correia MT. Exploring lectin-glycan interactions to combat COVID-19: Lessons acquired from other enveloped viruses. Glycobiology. 2021 May 3;31(4):358-371.
  199. Liu YM, Shahed-Al-Mahmud M, Chen X, Chen TH, Liao KS, Lo JM, Wu YM, Ho MC, Wu CY, Wong CH, Jan JT, Ma C. A Carbohydrate-Binding Protein from the Edible Lablab Beans Effectively Blocks the Infections of Influenza Viruses and SARS-CoV-2. Cell Rep. 2020 Aug 11;32(6):108016.
  200. Barre A, Van Damme EJM, Simplicien M, Le Poder S, Klonjkowski B, Benoist H, Peyrade D, Rougé P. Man-Specific Lectins from Plants, Fungi, Algae and Cyanobacteria, as Potential Blockers for SARS-CoV, MERS-CoV and SARS-CoV-2 (COVID-19) Coronaviruses: Biomedical Perspectives. Cells. 2021 Jun 28;10(7):1619.
  201. Nascimento da Silva LC, Mendonça JSP, de Oliveira WF, Batista KLR, Zagmignan A, Viana IFT, Dos Santos Correia MT. Exploring lectin-glycan interactions to combat COVID-19: Lessons acquired from other enveloped viruses. Glycobiology. 2021 May 3;31(4):358-371.
  202. Auth J, Fröba M, Große M, Rauch P, Ruetalo N, Schindler M, Morokutti-Kurz M, Graf P, Dolischka A, Prieschl-Grassauer E, Setz C, Schubert U. Lectin from Triticum vulgaris (WGA) Inhibits Infection with SARS-CoV-2 and Its Variants of Concern Alpha and Beta. Int J Mol Sci. 2021 Sep 22;22(19):10205.