Chronische stress en daaraan gerelateerde gezondheidsproblemen zoals een burn-out en depressie zijn een groot gezondheidsprobleem. Volgens Jurgen Spelbos, de oprichter van het ‘Centrum voor Stressologie‘, is de oorzaak daarvan een hormonale disbalans als gevolg van een tekort aan voedingsstoffen. Extra voedingsstoffen (vitamines, mineralen, aminozuren, vetzuren, kruiden, paddenstoelen, CBD, enzymen) zouden volgens hem de oplossing zijn. Gegarandeerd en met meetbare resultaten. Inmiddels zijn er in heel Nederland ruim 200 therapeuten/coaches die een opleiding tot stressoloog hebben gevolgd bij het ‘Centrum voor Stressologie‘ en met deze methode werken. Maar wat is stressologie precies en zijn extra voedingsstoffen de oplossing voor burn-out en depressie?
In dit artikel
- Stress, voedingsstoffen en hormonen
- Wie is Jurgen Spelbos?
- Stress en de stressrespons
- Wat is een burn-out?
- Wat is een depressie?
- Wat is Stressologie?
- Cursus en vakopleiding tot stressoloog
- Het verdienmodel van Stressologie
- Metingen die gebruikt worden binnen Stressologie
- De onderbouwing van Stressologie
- Verklaringen (maar geen onderbouwingen)
- Boek: Van stress naar geluk (met stressologie)
- Extra voedingsstoffen zijn effectief
- Onze voeding bevat niet meer voldoende voedingsstoffen
- Het lichaam weet geen raad met synthetische voedingsstoffen
- Geen aandacht voor andere verklaringen
- Artsen en psychologen weten onvoldoende van voeding
- Meten is weten (als je weet wat je meet)
Stress, voedingsstoffen en hormonen
Bij Stressologie draait het om chronische stress, voedingsstoffen en hormonen [1-3]. Chronische stress, burn-out en depressie zouden geen psychisch probleem zijn, maar meer een hormonaal probleem, ontstaan door een tekort aan voedingsstoffen. Stressologie heeft de oplossing, namelijk extra voedingsstoffen (zie screenshot). De naam is bedacht door Jurgen Spelbos, die ook het ‘Centrum voor Stressologie‘ heeft opgericht waar therapeuten en coaches een cursus of opleiding tot stressoloog kunnen volgen. Stressologen kunnen daarna particulieren cliënten begeleiden, maar ook werknemers met een speciaal programma binnen ‘Stressologie in Business‘ [2].
Stress en de stressrespons
Stress is een evolutionaire, lichamelijke reactie op een situatie die als dreigend wordt ervaren. Dat kunnen uiteenlopende situaties zijn, waaronder ontslag, nieuwe baan, scheiding, relatieproblemen, financiële problemen, gezondheidsproblemen (bij dierbaren), misbruik, mishandeling, een examen, een presentatie geven, sociale media, kinderen opvoeden en werkdruk. Stress staat bekend als iets ongezonds, maar je hebt gezonde en ongezonde stress en iedereen heeft het. Er is sprake van gezonde stress wanneer het lichaam het aan kan en zich eraan aanpast (adaptatie). Bijvoorbeeld blootstelling aan koude en hitte, lichaamsbeweging, het krijgen van opbouwende kritiek en leren voor een examen. Er is sprake van ongezonde stress wanneer die lang duurt, er geen controle over is en er onvoldoende herstel plaatsvindt. Bijvoorbeeld langdurig een te hoge werkdruk en leven met financiële problemen.
Niet iedereen reageert hetzelfde op stressvolle situaties. Er zijn individuele verschillen in zowel de stressgevoeligheid als de stressrespons. Aan sommige kun je iets doen, aan andere niets of weinig, maar het is een combinatie van factoren die bepalen hoe je op stress reageert. Zo’n stressprofiel (hoe reageer je op stress) wordt bepaald door:
- Werkomgeving (werksituatie, werkdruk, voldaanheid, steun vanuit werkgever)
- Persoonlijke omgeving (woonsituatie, jeugdtrauma, sociale steun, leefstijl)
- Psychologie (omgang met stress, cognitie, optimisme, persoonlijkheid)
- Biologie (HPA-as, adrenaline, immuunsysteem, hersennetwerken, genetica)
In tegenstelling tot bij dieren speelt bij mensen de interpretatie van een dreigende situatie een belangrijke rol. Negatieve gedachten en piekeren kunnen lang aanhouden. De stressrespons zal daardoor ook onnodig lang aanhouden (of beginnen) wat ons als mens kwetsbaar maakt. Dit voortdurend denken aan negatieve gebeurtenissen in het verleden (ervaring) en toekomst (inbeelding) staat in de psychologie bekend als ‘perseveratieve cognitie‘. Dit geeft aan dat mensen geen acute dreiging nodig hebben om stress te ervaren.
Snelle stressrespons (SAM-as)
Bij stress wordt bijna direct het sympathisch zenuwstelsel geactiveerd. Via de neurotransmitter acetylcholine zet het sympathisch zenuwstelsel het bijniermerg aan tot de aanmaak van het hormoon adrenaline. Dit gebeurt binnen enkele minuten. Deze snelle stresrespons wordt de SAM-as genoemd (sympathoadrenal system). Adrenaline wordt aangemaakt uit de aminozuren fenylalanine en tyrosine en maakt het lichaam klaar om te vechten of te vluchten. De ademhaling en hartslag nemen toe, de bloeddruk stijgt, de bloedvaten in de spieren verwijden, er wordt glucose vrijgemaakt (gluconeogenese), de afgifte van insuline wordt geremd en de bloedtoevoer naar de darmen neemt af. In tegenstelling tot veel andere hormonen (zoals cortisol) heeft adrenaline geen negatief feedbacksysteem.
Trage stressrespons (HPA-as)
Na zo’n 10-15 minuten wordt het hormoon cortisol aangemaakt. Dat gebeurt via de hypothalamus, hypofyse en de bijnierschors. Deze trage stressrespons wordt de ‘hypothalamus-hypofyse-bijnier-as‘ genoemd, of afgekort in het Engels de HPA-as (hypothalamic-pituitary-adrenal axis) (zie figuur 1). In eerste instantie stimuleert stress (zowel fysieke als psychologische) de hypothalamus tot de afgifte van het hormoon ‘corticotropin-releasing hormone‘ (CRH), dat op zijn beurt de hypofyse stimuleert tot de afgifte van het hormoon ‘adrenocorticotroop hormoon‘ (ACTH). ACTH stimuleert de bijnierschort tot de afgifte van cortisol. Cortisol wordt gemaakt uit cholesterol. Het zorgt er onder andere voor dat glucose, vetzuren en aminozuren worden vrijgemaakt die vervolgens gebruikt kunnen worden om te herstellen van de vroege stressrespons. Verder is cortisol ontstekingsremmend, immunosuppressief en heeft het een 24-uurs circadiaans ritme. Tijdens het eerste deel van de slaap is de cortisolspiegel laag en aan het einde van de slaapperiode stijgt de cortisol-spiegel, met een piek rond het ontwaken (zie afbeelding). Cortisol zorgt ervoor dat de hypothalamus wordt geremd in de afgifte van CRH waardoor de cortisolspiegel daalt (negatieve feedback).

Figuur 1: Weergave van de ‘hypothalamus-hypofyse-bijnier-as’. Overgenomen van Van den Berghe G, et al en ligt aangepast [7].
Wat is een burn-out?
De term burn-out werd in het midden van de jaren zeventig geïntroduceerd door Herbert Freudenberger (New York) en iets later door Christina Maslach (Berkeley). Burn-out was met name een maatschappelijk probleem dat zich voordeed bij werknemers in de sociale sector. Kernelementen die werden gedefinieerd waren uitputting, depersonalisatie en een verminderde arbeidsproductiviteit.
Tegenwoordig is er discussie over wat burn-out precies is. Er zijn ook verschillende definities in omloop, wat het niet duidelijker maakt [8]. In de multidisciplinaire richtlijn ‘Overspanning en burn-out voor eerstelijns professionals’ uit 2011 van de ‘Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde‘ (NVAB) en het ‘Nederlands Huisartsen Genootschap‘ (NHG) is de definitie voor burn-out [9]:
“Er is sprake van burnout als voldaan is aan alle drie onderstaande criteria.
- Er is sprake van overspanning.
- De klachten zijn meer dan 6 maanden geleden begonnen.
- Gevoelens van moeheid en uitputting staan sterk op de voorgrond.“
Overspanning kan gezien worden als het voorstadium van burn-out. Daarbij merken ze op dat werkgerelateerdheid geen noodzakelijk kenmerk is. In het eindrapport ”Oorzaken, gevolgen en risicogroepen van burn-out‘ van TNO uit 2020 is de definitie van een burn-out [10]:
“Burn-out is een door werk veroorzaakt syndroom van (1) emotionele vermoeidheid, sommige auteurs spreken ook van ‘extreme’ vermoeidheid of uitputting, in combinatie met (2) afstand nemen van het werk (distantie) en/of met (3) weinig vertrouwen (meer) hebben in eigen kunnen (verminderde bekwaamheid). Oorzaken zijn gelegen in de werksituatie en/of in de manier waarop werknemers omgaan met stressvolle aspecten van werk. Burn-out onderscheidt zich vanwege zijn ‘werkgerelateerdheid’ van vergelijkbare psychische problematiek als depressie en overspanning.”
In deze definitie is werkgerelateerdheid wel een kenmerk, hoewel problemen in de privésfeer of persoonlijke kwetsbaarheden een faciliterende rol kunnen spelen. De ‘World Health Organization‘ (WHO) heeft een lijst met ziekten die internationaal gehanteerd wordt; de ‘International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems‘ (ICD). Daarin wordt een burn-out als een werkfenomeen gedefinieerd en niet als een ziekte [11]:
“Burnout is a syndrome conceptualized as resulting from chronic workplace stress that has not been successfully managed. It is characterised by three dimensions:
- feelings of energy depletion or exhaustion;
- increased mental distance from one’s job, or feelings of negativism or cynicism related to one’s job; and
- a sense of ineffectiveness and lack of accomplishment.
Burn-out refers specifically to phenomena in the occupational context and should not be applied to describe experiences in other areas of life.”
Volgens de ‘Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden’ (NEA) 2022 hadden 1,6 miljoen werknemers in Nederland last van burn-out-klachten, wat neerkomt op 20% [12]. Van de werknemers ervaarde 42% een lage autonomie en 33% een hoge werkdruk. Jurgen Spelbos noemt burn-out een “complete meltdown van je hormoonhuishouding” waarbij de hormonale disbalans geen werkgerelateerde oorzaak hoeft te hebben [3]:
“De ‘World Health Organization’ (WHO) definieerde burn-out in 2019 als een werkgerelateerd fenomeen, maar het kan evengoed ook door privéomstandigheden worden veroorzaakt, iets feestelijks als een bruiloft kan zelfs een aanleiding zijn voor een burn-out.”
Er moet wel een onderscheid worden gemaakt tussen burn-outklachten en een burn-out. Met het hebben van burn-outklachten (komt bij 20-70% van de werknemers voor) heb je nog geen burn-out. Effectieve evidence-based-behandelingen voor burn-out lijken er niet te zijn [13] waardoor er een wildgroei is ontstaan aan commerciële behandelmethodes en -programma’s.
Kanttekening bij burn-out als diagnose
Er is discussie of de diagnose burn-out wel bestaat omdat het niet betrouwbaar vast te stellen is. Er is namelijk een grote overlap met depressie en een angststoornis waardoor misschien beter gesproken kan worden van een werkgerelateerde depressie of angststoornis is [14]. Dat zou betekenen dat de huidige begeleiding niet altijd passend is. In een interview geeft Jurgen Spelbos aan dat hij in 2010 een burn-out heeft gehad op basis van een laag cortisol dat hij had laten meten, wat hij “bijnieruitputting” noemt. Duidelijk is echter dat je daarmee geen burn-out kunt vaststellen. Studies vinden ook geen geschikte biomarkers voor burn-out, waarbij ze ook naar cortisol hebben gekeken [15]:
“In conclusion, we have not identified clinical relevance for biomarkers in occupational health practice. Even if all researchers had used the same methods in, for example, patients/controls, techniques in measuring, and confounders, it is likely that still a great variety in results would have been found. This is caused by the fact that burnout is not a homogenous entity, and there are great intra-individual and inter-individual varieties.”
Probleem is verder dat er ook een stigma is op depressie, maar niet op burn-out [16]. Bij burn-out wordt gedacht aan iemand die te hard heeft gewerkt en perfectionistisch is, terwijl bij depressie eerder wordt gedacht aan iemand met weinig draagkracht.
Volgens Jurgen Spelbos zou een verschil met een depressie zijn [3]:
“Iemand met een burn-out wil wel maar heeft geen energie meer. Iemand met een depressie wil doorgaans ook niet meer, al kan hij of zij het dikwijls nog wel.”
Bij het wel of niet hebben van energie om iets te doen (vermoeidheid) als diagnostisch criterium voor het onderscheid tussen burn-out en depressie zijn wel vraagtekens te plaatsen. Christiaan Vinkers, psychiater en hoogleraar Stress en Veerkracht bij het Amsterdam UMC en auteur van het boek ‘In de ban van burn-out’ geeft in een lezing aan:
“Eén van de negen criteria van depressie? Ernstige vermoeidheid. Dus bij depressie heb je ook ernstige vermoeidheid.”
Dit blijkt ook uit een observationele studie uit 2020 [17]. In die studie zijn bij vijf groepen werknemers uit Zwitserland en Frankrijk (n=3.113) verschillende vragenlijsten afgenomen. De ‘Shirom-Melamed Burnout Measure‘ (SMBM) en twee varianten van de ‘Maslach Burnout Inventory‘ (MBI) voor burn-out-symptomen (afhankelijk van het beroep van de werknemers) en de ‘Patient Health Questionaire 9‘ (PHQ-9) voor depressieve symptomen. In elk van de vijf groepen correleerden de componenten van burn-out gemiddeld minder sterk met elkaar dan met depressieve klachten. Met andere woorden, de werknemers met veel symptomen van burn-out hadden ook veel symptomen van depressie. Een verklaring voor de overlap tussen burn-out en depressie is dat vragenlijsten voor depressie (bijvoorbeeld de PHQ-9) ook vermoeidheid meenemen, wat juist een kenmerk van burn-out zou zijn. Interessant is dat de correlaties vergelijkbaar bleven wanneer vermoeidheids-gerelateerde items uit de PHQ-9 werden gehaald [17]:
“The present study suggests that the burnout‐depression separation is artificial. We recommend that occupational health practitioners systematically assess “classical” depressive symptoms in employees presenting with a complaint of burnout. Cultivating the idea that burnout should be separated from depression when burnout and depression appear to reflect, in essence, one condition may result in misguided intervention strategies and impede our ability to effectively help stressed‐out workers. In view of (a) the problematic validity of the burnout construct, (b) the undiagnosable character of the burnout syndrome, and (c) the failure of burnout scales to reliably assess work‐attributed symptoms, the development of a measure of occupational depression may be useful to epidemiologists and clinicians.”
“Our findings do not support the view that burnout is adequately characterized as an entity that is distinct from depression.”
Wat is een depressie?
Voor het diagnosticeren van psychiatrische aandoeningen is er de DSM 5 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders). Daarin staat dat er sprake is van een depressie bij een sombere stemming en/of een duidelijke vermindering van interesse of plezier in (vrijwel) alle activiteiten, bijna dagelijks en gedurende het grootste deel van de dag. Er moet voldaan zijn aan minstens 5 DSM-symptomen, waaronder minstens één van de kernsymptomen, gedurende minstens twee aaneengesloten weken waarbij ook voldaan moet zijn aan criteria B t/m E (zie tabel 1) [18].
In 2021 waren er naar schatting 524.800 mensen met een depressieve stemmingsstoornis bekend bij de huisarts [19]. Het merendeel daarvan (65%) was vrouw. Jurgen Spelbos geeft aan dat zijn burn-out in eerste instantie werd “afgedaan” als een depressie, wat suggereert dat volgens hem een burn-out ernstiger is dan een depressie [5]. In een interview geeft hij aan dat je met gezonde voeding in drie weken van een depressie af kunt komen.

Tabel 1: DSM 5-criteria voor depressie [17].
Wat is Stressologie?
De Stressologie-methode is volgens Jurgen Spelbos een “revolutionaire“, “vernieuwende” en “gegarandeerd” een “uiterst effectieve methode” voor het oplossen van stress, burn-out en depressieklachten op basis van “nieuwe inzichten” en met “meetbare resultaten” (zie screenshot, screenshot, screenshot). Daar worden alleen burn-out en depressie genoemd, maar op de manier waarop chronische stress een burn-out en depressie zou kunnen veroorzaken, zou het tot tal van andere gezondheidsproblemen kunnen leiden (zie screenshot) [3, 5]. De visie draait om stress, hormonen en voedingsstoffen. Gezondheidsproblemen beginnen met chronische stress, dat leidt tot een tekort aan energie en voedingsstoffen met als gevolg een hormonale disbalans en gezondheidsproblemen. Voedingsstoffen zouden de oplossing zijn (zie figuur 2).

Figuur 2: Schematische weergave van de kernvisie van Stressologie. + stimulerende effect, – remmend effect.
Stress leidt tot een toename van stresshormonen (adrenaline en cortisol). Die stresshormonen worden aangemaakt uit voedingsstoffen. De visie van Stressologie is dat door chronische stress de stresshormonen verschillende voedingsstoffen opgebruiken waardoor er geen voedingsstoffen meer over zijn voor de aanmaak van andere hormonen en neurotransmitters waaronder serotonine, dopamine, GABA, acetylcholine, schildklierhormonen, testosteron, oestrogeen, etc. Daardoor zouden er tekorten ontstaan aan deze hormonen en neurotransmitters, wat ook meetbaar zou zijn (zie screenshot, screenshot) [2]. Wanneer deze hormonale disbalans lang genoeg aanhoudt gaat dit ten koste van andere lichaamssystemen zoals de spijsvertering, het immuunsysteem en hersenfuncties wat leidt tot vermoeidheid, uitputting, niet meer helder kunnen denken, nog meer stress, angst, slaapproblemen, premenstrueel syndroom (PMS), pijnklachten, burn-out, depressie en meer [1]. Stress zou dan ook geen psychisch probleem zijn, maar meer een hormonaal probleem (zie screenshot) [2, 20]. Dat is echter in tegenspraak met hun eigen visie. De gezondheidsproblemen zouden namelijk beginnen met chronische psychologische stress, met als gevolg een tekort aan voedingsstoffen die voor een hormonale disbalans zorgen. Dit zou vervolgens stress kunnen veroorzaken (vicieuze cirkel), maar de oorzaak is dan de chronische stress (zie figuur 2).
Binnen de Stressologie-metode staan serotonine, dopamine, GABA en acetylcholine centraal. Dat worden de “gelukshormonen” genoemd. GABA en acetylcholine zijn echter neurotransmitters. Serotonine en dopamine zijn zowel hormoon als neurotransmitter, maar hebben in de hersenen de functie van neurotransmitter. Jurgen Spelbos is zich daarvan bewust, maar omdat het ingeburgerd zou zijn dat neurotransmitters “gelukshormonen” worden genoemd (is mij onbekend), houdt hij die woordkeuze aan (zie screenshot) [6]. Een tekort aan deze “gelukshormonen” zou leiden tot [3]:
- Tekort aan serotonine: angst, stress, depressie, slaapstoornissen, (hoofd)pijngevoeligheid, gespannen
- Tekort aan dopamine: vermoeidheid, uitputting, besluiteloosheid, verslavingsgedrag, emotionele instabiliteit, lethargie, gebrek aan wilskracht, weinig motivatie
- Tekort aan GABA: stress, prikkelgevoeligheid, angst- en paniekaanvallen, onrust, hyperalert, verkramping
- Tekort aan acetylcholine: vergeetachtigheid, concentratie- en leerstoornis, verminderd reactievermogen, minder creativiteit
Met de Stressologie-methode kunnen klachten als vermoeidheid, besluiteloosheid, verslavingsgedrag (overmatig eten, drinken etc.), vergeetachtigheid, concentratieproblemen, piekeren, onrust, angst en paniek, slaapproblemen en noem maar op verholpen worden. De methode bestaat uit vijf stappen, waarbij de eerste drie stappen centraal staan:
- Het opsporen van een teveel aan stresshormonen en tekorten aan de neurotransmitters serotonine, dopamine, GABA en acetylcholine (binnen stressologie “gelukshormonen” genoemd) en het bepalen van de mate waarin de hormoonbalans verstoord is geraakt. Dit gebeurt met name met een niet-gevalideerde vragenlijst (Braverman).
- Het verminderen van stress met natuurlijke voedingsstoffen.
- Het herstellen van de hormoonbalans, het stimuleren van de aanmaak van “gelukshormonen“, vooral met natuurlijke voedingsstoffen. Mocht dat onvoldoende resultaat opleveren kunnen de stappen 4 en 5 gevolgd worden.
- Leefstijl verbeteren: gezonder eten, meer bewegen, meer rust. De Schijf van vijf van het Voedingscentrum zou echter achterhaalt zijn en voor geen meter kloppen. Zuivel is niet goed, je moet voorzichtig zijn met koffie, soja en glutenbevattende granen. In niet-biologisch vlees zitten groeihormonen, alle light producten zijn slecht, omega 6-vetzuren veroorzaken ontstekingen, detoxen kan je lever en nieren ontgiften en rode wijn en roomboter zijn goed.
- Adviezen die je aanspreken uit het boek ‘Van stress naar geluk – met stressologie‘ toepsassen. Dit zijn tientallen, met name alternatieve, behandelingen. Een stressoloog wordt niet in al die behandelingen opgeleid.
En het moet in deze volgorde, anders werkt het niet optimaal. Je kunt wel beginnen met gezonder te gaan eten, maar daarmee zou je geen tekorten wegwerken omdat de kwaliteit van de voeding daarvoor te veel is achteruit gegaan, of je zou heel veel geduld moeten hebben. Tegen Editie NL zei hij:
“Je kunt mediteren tot je een ons weegt, maar als je die tekorten aan gelukshormoon niet aanpakt heeft het weinig zin.”
Het is ook niet nodig om altijd alle stappen te volgen. Maar mocht het effect na stap 3 nog onvoldoende zijn, dan kunnen ook de stappen 4 en 5 gevolgd worden. Een stressoloog is echter niet in die behandelingen (bijvoorbeeld EMDR) opgeleid. De essentie is dus het werken met extra voedingsstoffen, waaronder vitamines, mineralen, aminozuren, vetzuren, kruiden (ashwaganda, ginseng, maca, saffraan, rhodolia), paddenstoelen, CBD en enzymen. De stress zou daarmee verminderen en de hormonale disbalans verbeteren of verdwijnen evenals de gezondheidsproblemen. Het zouden dan wel natuurlijke, biologische voedingsstoffen moeten zijn. Met synthetische voedingsstoffen zou het lichaam geen raad weten (95% van het aanbod zou synthetisch zijn) [3, 5].
Cursus en vakopleiding tot stressoloog
Het ‘Centrum voor Stressologie‘ biedt voor therapeuten en coaches de cursus ‘Toegepaste Stressologie‘ en de uitgebreidere vakopleiding ‘Stressologie en Energiemanagement‘ aan om stressoloog te worden [21]. Beide zijn geaccrediteerd door de stichting ‘Kwaliteit en Toetsing Natuurgerichte Opleidingen‘ (KTNO) en worden erkent door de ‘Nederlandse Vereniging van Soma Therapeuten‘ (NVST) en de ‘Vereniging ter Bevordering van Alternatieve Geneeswijze‘ (VBAG). Er is geen specifieke voorkennis vereist, hoewel beide HBO-niveau zouden zijn (zie screenshot, screenshot). Behalve dat je voor de vakopleiding minimaal de eerste dag van de cursus gevolgd moet hebben. Dat is vreemd omdat alle stressologen in hun eigen kernvak een eigen opleiding op HBO- of universitair niveau zouden hebben genoten (zie screenshot). Dat zou dan een vereiste moeten zijn.
Inmiddels zijn er ruim 200 stressologen door heel Nederland [2].
- De cursus Toegepaste Stressologie (level 1) – € 595,- excl. btw
Deze cursus wordt gegeven door Jurgen Spelbos en Annemarie Smidt (orthomoleculair en bioresonantietherapeut) en bestaat uit twee klassikale lesdagen en twee online-sessies en veel zelfstudie. Er wordt aandacht besteed aan onder andere natuurgeneeskunde en orthomoleculaire therapie [22].
- Klassikaal: 34 uur (opmerkelijk met twee klassikale dagen)
- Online contact: 28 uur
- Praktijkoefening: 120 uur
- Intervisie: 32 uur
- Toetsing en examen: 80 uur
- Zelfstudie: 220 uur
- Totaal: 514 uur
“In cursus toegepaste stressologie leer je heel praktisch hoe je de stressologiemethode moet toepassen. Je leert de theorie achter de methode, hoe je kunt testen, hoe je de uitslagen moet interpreteren en hoe je eventuele problemen kunt oplossen met de juiste voedingsstoffen.”
- De vakopleiding Stressologie en Energiemanagement (level 2) – € 3.450,- excl. btw
Deze opleiding bestaat uit twintig lesdagen en vooral zelfstudie. Op iedere lesdag wordt een ander onderwerp behandeld door docenten die veelal alternatieve geneeswijze aanhangen. Vakinhoudelijke onderwerpen zijn onder andere natuurgeneeskunde, homeopathie en energetische geneeswijzen [22]. Volgens het KTNO liggen de kosten voor deze vakopleiding overigens tussen de €1.000 en €2.500 (zie screenshot).
- Klassikaal: 123 uur
- Online contact: 140 uur
- Praktijkoefening: 60 uur
- Intervisie: 55 uur
- Toetsing en examen: 40 uur
- Zelfstudie: 390 uur
- Totaal: 808 uur
“De vakopleiding is een 20 daagse brede vergaande verdieping door tal van specialisten op van alles wat met de methode stressologie te maken heeft. Ook de vakopleiding is helemaal gericht op praktische toepasbaarheid.”
Het programma voor seizoen 2023/2024 is [21]:
Het verdienmodel van Stressologie
Het verdienmodel van Stressologie is dat klanten voor een Stressologie-programma betalen. Per particuliere cliënt is dat ongeveer €750 (zie screenshot) [5]. Daarnaast kunnen nog inkomsten verkregen worden uit de verkoop van testen en voedingssupplementen. Stressologen kunnen ook werknemers begeleiden in een traject van vier maanden binnen ‘Stressologie in Business‘ [2]. Zo’n traject kost €7.500 euro, exclusief btw en inclusief alle laboratoriumtesten en voedingsstoffen waarmee gewerkt gaat worden. Eventueel kan dit traject verlengt worden tot zes maanden.
Metingen die gebruikt worden binnen Stressologie
De Stressologie-methode is gebaseerd op het principe van ‘meten is weten’. Bij Stressologie in Business worden vier verschillende metingen gebruikt (zie screenshot) [2]. Eén aan het begin (o-meting) en één aan het einde (na 3-4 maanden) om de vorderingen te bepalen [2]. Ook voor niet-werknemers kunnen stressologen van deze metingen gebruik maken.
Meting 1a: De ‘Stress- en Gelukshormonen-test‘
Binnen de Stressologie-methode wordt er gewerkt met de ‘Stress- en Gelukshormonen-test‘ die ontwikkeld is door de Amerikaanse arts dr. Eric Braverman (1957) [23]. Braverman is oprichter en medisch directeur van PatMed (Place for Achieving Total Health). PathMed is een website die advies geeft over suppletie, voeding, voeding en fitness. Tevens verkopen ze er uiteenlopende supplementen. Ook is hij auteur van het boek ‘The Edge Effect‘ uit 2004, waarin hij de ‘Braverman Nature Assessment‘ (BNA), of kortweg de Braverman-test heeft gepubliceerd [24].
Braverman is van mening dat er in de hersenen vier dominante neurotransmitters zijn. Net als binnen de Stressologie-methode zijn dat de neurotransmitters serotonine, dopamine, GABA en acetylcholine (Braverman noemt ze neurotransmitters). De Braverman-test bestaat uit twee delen met in totaal 315 meerkeuzevragen (waar of niet waar) over het geheugen, aandacht, fysieke eigenschappen, karakter en persoonlijkheid [25]. Het eerste deel probeert te achterhalen welke neurotransmitters dominant aanwezig zijn en het tweede deel probeert te achterhalen aan welke neurotransmitters een tekort is. Enkele voorbeelden van vragen:
Dominantie
Serotonine
- Ik leef in het hier en nu
- Ik slaap teveel
- Ik ben een optimist
- Ik hou ervan om plezier te hebben
Dopamine
- Ik heb een goed voorstellingsvermogen
- Mijn aderen zijn zichtbaar en zien eruit alsof ze uit mijn huid kunnen springen
- Sommige mensen zeggen dat ik irrationeel ben
- Ik hou ervan om geld uit te geven
GABA
- Het meeste van wat ik hoor onthoud ik
- Cafeïne heeft weinig effect op mij
- Ik ben een perfectionist
- Ik verzamel dingen
Acetylcholine
- Ik kan uitstekend luisteren
- Ik hou van yoga en om mijn spieren te stretchen
- Ik voorzie een betere toekomst
- Ik lees graag fictie
Tekorten
Serotonine
- Ik heb een slecht richtingsgevoel
- Ik kan me niet ontspannen
- Ik neem niet langer meer risico’s
- Ik ben makkelijk geïrriteerd
Dopamine
- Ik kan niet snel genoeg denken
- Ik heb altijd geworsteld met gewichtsproblemen
- Ik kan geen goede beslissingen maken
- Ik heb weinig haast
GABA
- Ik kan telefoonnummers niet onthouden
- Ik ben vaak nerveus
- Ik ben mijn vrienden kwijtgeraakt
- Ik heb stemmingswisselingen
Acetylcholine
- Ik vergeet de verjaardag van mijn vrienden
- Ik snak naar vet voedsel
- Ik besteed geen aandacht aan de gevoelens van anderen
- Ik voel me teleurgesteld
Kanttekeningen
Bij de ‘Stress- en Gelukshormonen-test‘ zijn verschillende kanttekeningen te maken.
Er wordt niet naar stresshormonen gekeken
De bedoeling van de ‘Stress- en Gelukshormonen-test‘ is om te achterhalen of er een hormonale disbalans is. Volgens de Stressologie-methode wordt er zowel naar stresshormonen als naar “gelukshormonen” gekeken [23]. Vandaar ook de naam van de test. De test kijkt echter alleen maar naar de neurotransmitters serotonine, dopamine, GABA en acetylcholine, wat bij Stressologie de ‘gelukshormonen‘ zijn. Van die “gelukshormonen” wordt gekeken welke dominant aanwezig zouden zijn (deel 1) en waar een tekort aan zou zijn (deel 2) (zie screenshot) [23]. Er wordt niet gekeken naar stresshormonen zoals adrenaline en cortisol, wat ook volgens Jurgen Spelbos de belangrijkste stresshormonen zijn (zie screenshot) [4].

De test is niet gevalideerd
Van een vragenlijst die gebruikt wordt om een diagnose te stellen en waar een behandeling op gebaseerd wordt mag verwacht worden dat die gevalideerd is. Dus dat de vragen daadwerkelijk meten wat beweerd wordt dat er gemeten wordt. Daarvoor zijn validatiestudies nodig. Naar de Braverman-test zijn geen validatiestudies gedaan waardoor die niet gevalideerd is. Je weet dus eigenlijk niet wat je meet. Daar komt bij dat klachten moeilijk te vertalen zijn naar fysiologische kenmerken.
Dat er alleen gekozen kan worden tussen ‘waar‘ en ‘niet waar‘ is ook een probleem omdat de antwoorden in werkelijkheid niet altijd zo zwart-wit te beantwoorden zijn. Overigens zijn er geen testen die de serotonine-, dopamine-, GABA- en acetylcholinespiegels in de hersenen kunnen meten. En mocht er een associatie zijn, dan kan er geen onderscheid gemaakt worden tussen een relatief en een absoluut tekort aan neurotransmitters. Het kan bijvoorbeeld zijn dat er wel genoeg dopamine aanwezig is, maar dat er een tekort is aan dopaminereceptoren of dat de dopaminereceptoren minder goed functioneren. Er is dan sprake van een relatief tekort waardoor meer dopamine niet de oplossing zal zijn. Duidelijk is dat de Braverman-test, en daarmee de ‘Stress- en Gelukshormonen-test‘, geen betrouwbare manier is om de hormoonstatus te achterhalen.
Placebo-effect en sociaal wenselijke antwoorden spelen mee
Een ander probleem is dat het subjectieve vragen zijn. De antwoorden daarop zouden per dag anders kunnen zijn, afhankelijk van de gemoedstoestand. Daarnaast zullen hoop en positieve verwachtingen voor een placebo-effect zorgen waardoor de antwoorden positiever zullen zijn wanneer de Braverman-test voor een tweede of derde keer wordt gemaakt. Het placebo-effect is weliswaar een echt effect, maar niet veroorzaakt door de Stressologie-behandeling. Verder zal er een band ontstaan tussen cliënt en behandelaar waardoor de cliënt bij een tweede of derde keer invullen van de Braverman-test geneigd kan zijn tot het geven van sociaal wenselijke antwoorden.
Meting 1b: De ‘Quickscan Gelukshormonen‘
De ‘Quickscan Gelukshormonen‘ is een ingekorte versie van het tweede deel van de Braverman-test. Hiermee wordt getracht te achterhalen aan welke “gelukshormonen” (neurotransmitters) een tekort is die klachten als vermoeidheid, een gebrek aan zelfvertrouwen, concentratieproblemen, vergeetachtigheid, stress en onrust, angst, slaapproblemen, premenstrueel syndroom (PMS), pijnklachten en depressie zouden kunnen verklaren [26]. Hier wordt niet gekeken naar welke ‘gelukshormonen‘ dominant aanwezig zouden zijn. De ‘Quickscan Gelukshormonen‘ bestaat uit 40 meerkeuzevragen (0 = nooit, 1 = soms, 2 = vaak, 3 = altijd). Enkele voorbeelden van vragen om de status van de verschillende ‘gelukshormonen‘ te achterhalen zijn [21]:
Serotonine
- Ik heb vaak last van hoofdpijn, migraine, PMS
- Ik heb behoefte aan suiker
- Ik ben zwaarder geworden
- Ik heb minder plezier dan vroeger
Dopamine
- Ik voel me hopeloos
- Ik ben het liefst alleen
- Ik heb geen motivatie om dingen aan te pakken
- Ik kan geen keuzes maken en stel veel dingen uit
GABA
- Ik eet vaak teveel
- Ik voel me gestrest
- Ik kan me niet concentreren
- Ik raak snel in paniek
Acetylcholine
- Ik heb weinig fantasie
- Ik heb behoefte aan vet eten
- Ik beweeg me trager en onhandiger
- Ik vind het moeilijk om me in te leven in anderen
Kanttekeningen
De kanttekeningen die hierbij te plaatsen zijn, zijn dezelfde als bij de ‘Stress- en Gelukshormonen-test‘, behalve dat er niet beweerd word dat er naar stresshormonen wordt gekeken en dat er geen twee, maar vier keuzemogelijkheden zijn. Duidelijk is dat de ‘Quickscan Gelukshormonen‘ geen betrouwbare manier is om een tekort aan “gelukshormonen” te achterhalen.
Meting 2: Hartritmevariabiliteit (HRV)
Het zenuwstelsel bestaat uit een somatisch en een autonoom deel. Het somatisch zenuwstelsel werkt willekeurig, bijvoorbeeld het aansturen van de skeletspieren. Het autonoom zenuwstelsel werkt, zoals de naam al zegt, autonoom (onwillekeurig), bijvoorbeeld het aansturen van de hartslag. Het autonome deel bestaat weer uit een sympathisch en een parasympathisch deel. Het sympathisch zenuwstelsel stimuleert actie en maakt de vecht -en-vlucht-reactie mogelijk. Het wordt weleens vergeleken met het gaspedaal. De hartslag en de ademhaling versnellen, de afgifte van glucose neemt toe en de pupillen verwijden, terwijl de darmactiviteit wordt geremd. Het parasympatisch zenuwstelsel stimuleert rust en herstel. Het wordt weleens vergeleken met het rempedaal. De hartslag en de ademhaling vertragen, de afgifte van glucose neemt af en de pupillen vernauwen, terwijl de darmactiviteit wordt gestimuleerd.
De hartritmevariabiliteit (HRV) is een maat voor de variatie in de tijdsintervallen tussen twee opeenvolgende hartslagen, uitgedrukt in milliseconden. Het wordt ook weleens het R-R interval genoemd. De HRV zegt iets over de balans tussen het sympathisch en parasympathisch zenuwstelsel. Bij een lage HRV is het sympathisch zenuwstelsel dominant wat een indicatie kan zijn van stress of overtraining. Verschillende factoren zijn van invloed op de HRV waaronder conditie, voeding, stress, hormonen, slaapkwaliteit, gezondheidsproblemen, geslacht, leeftijd en genen. De interpretatie is daarom wel lastig, ook omdat het van persoon tot persoon verschilt wat een gezonde HRV is. Het is daarom beter om je eigen HRV te monitoren dan die met anderen te vergelijken.
Er zijn verschillende manieren om de HRV te meten, waaronder met een elektrocardiogram (ECG) en een hartslagmeter met die functie. Binnen de Stressologie-methode wordt er gewerkt met de HRV om de mate van stress vast te stellen en om verbeteringen van de behandeling te monitoren. Dat lijkt een bruikbare manier te zijn [27].
Kanttekening
De HRV zegt niets over de oorzaak van de stress en van de eventuele verbetering.
Meting 3: Vetzurentest
Met een bloedtest wordt het niveau van een aantal vetzuren en de verhouding daartussen gemeten. Verschillende commerciële partijen bieden deze test aan. Het gaat dan onder andere om de verhouding omega 3: omega 6 en de vloeibaarheid van het celmembraan. We zouden teveel omega 6 binnenkrijgen (met name linolzuur) en te weinig omega 3 waardoor ontstekingen worden gestimuleerd en voedingsstoffen minder goed worden opgenomen [3]:
“Omega 6-vetzuren zijn veel minder goed voor je, ze veroorzaken en versnellen juist ontstekingsprocessen, en we krijgen veel meer binnen dan ons lief is.”
De bekendste omega 3-vetzuren zijn alfa-linoleenzuur en de visvetzuren eicosapentaeenzuur (EPA) en docosahexaeenzuur (DHA). De bekendste omega 6-vetzuren zijn linolzuur, arachidonzuur (AA) en gamma-linoleenzuur (GLA).
Jurgen Spelbos is op dit spoor gekomen omdat hij zelf een te hoog cholesterol had en door bijwerkingen van de cholesterolverlagende medicatie (statines) en naar aanleiding van het boek ‘De voedselzandloper‘ van de Belgische arts Kris Verburgh, visolie is gaan slikken (naast het eten van walnoten) [5]. Na een half jaar war zijn cholesterolwaarden weer goed.
Kanttekeningen
Met de vetzurentest zou achterhaalt kunnen worden of voedingsstoffen goed worden opgenomen. Dat zou te maken hebben met de vloeibaarheid van het celmembraan, dat wordt uitgedrukt in de verhouding verzadigde vetzuren : omega 3 vetzuren (EPA/DHA) [5]. Dat die verhouding verbetert door het slikken van visolie spreekt voor zich, maar er is geen bewijs dat daarmee voedingsstoffen beter worden opgenomen.
Het omega 6-vetzuur linolzuur zou ontstekingen bevorderen. Studies laten echter niet zien dat linolzuur tot een verhoging van diverse ontstekingsmarkers leidt [28, 29]. Een ander argument voor het ontstekingsbevorderende effect van linolzuur is dat het wordt omgezet in arachidonzuur, wat de precursor is van ontstekingsbevorderende stofjes (eicosanoïden). Studies laten echter niet zien dat linolzuur tot een toename van arachidonzuur leidt [30].
“Hence, it is commonly believed that increasing dietary intake of the omega-6 fatty acids ARA or its precursor linoleic acid (LA) will increase inflammation. However, studies in healthy human adults have found that increased intake of ARA or LA does not increase the concentrations of many inflammatory markers.” [31]
Visolie is met name effectief in het verlagen van de triglyceriden, niet in het verbeteren van het cholesterolprofiel [32, 33]. Dit is een voorbeeld van hoe een praktijkervaring verkeerd wordt geïnterpreteerd en dat resultaten uit wetenschappelijk onderzoek daarbij niet worden meegenomen. Dit leidt tot misinformatie. Het is overigens interessant dat Jurgen Spelbos een te hoog cholesterol had, terwijl hij chronische stress had (hoge cortisolspiegel). Cholesterol is namelijk de bouwstof van cortisol waar op den duur een tekort aan zou moeten ontstaan. Er zou op den duur namelijk ook een tekort ontstaan aan de steroïdhormonen oestrogeen en testosteron die ook uit cholesterol worden gemaakt.
Meting 4: Speeksel- en urinetesten
Binnen de Stressologie-methode wordt in speeksel en urine het niveau van de belangrijkste “stress- gelukshormonen” bepaald om de mate van “uitputting” te bepalen.
Kanttekeningen
Een tekort aan bepaalde hormonen, neurotransmitters en voedingsstoffen zegt niets over de oorzaak ervan.
De vraag is verder of de uitslagen op een juiste manier worden geïnterpreteerd en er een juiste behandeling wordt geadviseerd. Veel standpunten komen namelijk niet overeen met die van de reguliere geneeskunde en verschillende Stressologen en docenten van de vakopleiding houden zich bezig met vakgebieden die onder de alternatieve geneeskunde vallen. Wat zegt bijvoorbeeld de dopamine- en serotonineconcentratie in de urine over de concentratie ervan in de hersenen? Dat is relevant om te weten aangezien er verbanden met gezondheidsproblemen worden gelegd.
De onderbouwing van Stressologie
Jurgen Spelbos is overtuigd van de effectiviteit van de Stressologie-methode. Daarvoor geeft hij verschillende verklaringen waar wel de nodige kanttekeningen bij te plaatsen zijn.
Verklaringen (maar geen onderbouwingen)
Binnen de Stressologie-methode worden veel verklaringen voor gegeven gezondheidsproblemen en worden er uiteenlopende oorzakelijke verbanden gelegd waar de behandeling vervolgens op gebaseerd wordt. Voor veel mensen zullen die verklaringen en verbanden plausibel klinken, zeker wanneer ze met overtuiging worden gebracht. Maar waaruit blijkt die die verklaringen en verbanden juist zijn? Daarvoor is bevestiging uit wetenschappelijk onderzoek nodig. In een interview geeft Jurgen Spelbos aan dat hij voor veel dingen die hij roept wetenschappelijk bewijs heeft. Maar voor verschillende uitspraken ontbreekt die echter, met name voor de visie waarin de Stressologie-methode zich onderscheidt van andere methoden.

De onderbouwing bestaat met name uit a) de eigen ervaring van Jurgen Spelbos, b) resultaten van klanten (ervaringen en metingen), c) Nederlandse boeken, d) gesprekken met deskundigen en behandelaars, e) wijsheden uit het Verre Oosten. Met name zijn eigen jarenlange ervaring met stress, burn-out en gezondheidsproblemen, het gebruik van slaapmedicatie en antidepressiva en de experimenten die hij heeft gedaan lijken een belangrijke rol te hebben gespeeld bij de vorming van zijn overtuiging. Regelmatig wordt dat door hem aangehaald. Maar dat zijn geen sterke onderbouwingen. Boeken (al dan niet van wetenschappers) en ‘expert opinions‘ hebben een lage bewijskracht. Zeker wanneer in een boek niet verwezen wordt naar wetenschappelijk onderzoek en een editorteam ontbreekt. Uiteindelijk gaat het niet om wat een wetenschapper zegt of schrijft (autoriteitsargument), maar om wat wetenschappelijk onderzoek laat zien. Het zou daarom gepaster te zijn om te verwijzen naar de betreffende wetenschappelijke studie van die onderzoeker of waar in dat boek naar verwezen wordt. Dat wil niet zeggen dat alles binnen de Stressologie-methode onjuist is en dat chronische stress geen serieus gezondheidsprobleem is. Chronische stress is namelijk geassocieerd met verschillende gezondheidsproblemen [34]. En verschillende adviezen over gezonde voeding en stressreductie zijn zeker aan te raden (conform reguliere inzichten). Maar voor de visie waarin de Stressologie-methode zich onderscheidt van andere methoden (de “nieuwe inzichten”), en waarvoor je naar een stressoloog zou moeten, is geen wetenschappelijke onderbouwing.
Boek: Van stress naar geluk (met stressologie)
Het standaardboek over Stressologie is ‘Van stress naar geluk (met stressologie)‘ uit 2020 van Jurgen Spelbos. Daarin zou hij alles wat hij beweert onderbouwen [35]. In het boek wordt bij beweringen echter niet naar bronnen verwezen. Hooguit naar wat auteurs in hun boek hebben geschreven. Daardoor is onduidelijk waar een bewering op gebaseerd is en kan die niet gecontroleerd worden. Wel is achterin het boek een lijst opgenomen met geraadpleegde bronnen (zie screenshot). Dat zijn met name Nederlandse boeken voor een algemeen publiek waarin de overtuiging van Spelbos (of een deel ervan) wordt bevestigd. Veel zegt dit niet want daardoor is onduidelijk wat uit dat boek gebruikt is voor welke bewering en wat de onderbouwing daarvan is. Nederlandstalige boeken van wetenschappers die meer afwijken van zijn overtuiging (Het voedsellabyrint van Jaap Seidell en Jutka Halberstadt, Wat is nu Gezond? van Martijn Katan, Eet als een expert van Marijke Berkenpas et al.) staan niet tussen de geraadpleegde bronnen. Daarnaast zal niet alle informatie in de boeken die geraadpleegd zijn met elkaar overeenkomen of met de visie van de auteurs. De geraadpleegde bronnen zijn daarmee selectief gekozen, wat niet past bij waarheidsvinding.
Boek is meer dan de Stressologie-methode
Kort samengevat gaat het boek gaat over algemene onderwerpen op het gebied van stress (oorzaken van stress, stressrespons, etc), burn-out en voeding en de mogelijke behandelingen en wat je er zelf aan kunt doen, zonder tussenkomst van een behandelaar. Bijzonder of nieuw zijn de opvattingen niet, maar ze behoren wel vaak tot de alternatieve geneeskunde. In de hoofdstukken 8 t/m 14 (blz. 95-279) worden zeven invalshoeken besproken met uiteenlopende bijbehorende behandelingen en adviezen [3]:
- Je lichaam en leefstijl
Voeding en suppletie valt in de eerste invalshoek, wat eigenlijk de kern van de Stressologie-methode is en waarin die zich onderscheidt van andere methoden. Andere therapieën die worden genoemd zijn lichaamsbeweging, shaking zen, ademhaling, relaxatie, ontzuren, ontgiften, sauna, verschillende soorten massage, tactiel stimulering, Body stress release (BSR), Zweedse spijkermat, yoga, tai chi, qi gong, bouncen, Tension Release Exercise (TRE), Somatic Experiencing (SE), acupunctuur, Raymedie, osteopathie, Craniaal Sacraal Therapie (CST), chiropractie, ayurvedische geneeskunde (je zou er kanker mee kunnen oplossen), mesologie, hartcoherentie, biofeedback, neurofeedback, klankschaaltherapie, floaten, aromatherapie, aarding, muziek. - Je psyche
Meditatie, Acceptance and Commitment Therapie (ACT), modern sjamanisme, sedona-methode, Past Reality Integration (PRI). - Je persoonlijkheid
Advaita vedanta, gestalttherapie, Management Drives, cyou, - Je mentaliteit
Adviezen over het veranderen van je instelling. - Je gevoelens en emoties
Lichtpuntwerk - Het onderbewustzijn
Emotional Freedom Techniques (EFT), Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR), PSYCH-K, kinesiologie, ayahuasca (een hallucinerende drank), plantenmedicijnen, hypnose, helende reis. - Het hogere bewustzijn
Bidden, reiki, energetische therapie, healing, mediumschap, astrologie, familieopstelling-therapie
Er is wel een groot verschil tussen wat in het boek allemaal onder Stressologie zou vallen en wat Jurgen Spelbos er recenter over vertelt in webinars, masterclasses en podcasts en wat er op de websites staat. In het boek worden meer oplossingen voor stress en burn-out aangedragen, terwijl in de praktijk de voedingsstoffen duidelijk centraal staan en de methode dragen [5].
“Het tempo ligt best hoog, en dat komt omdat ik alles vertel. Het is niet zo dat ik zeg van nou, als je meer wilt weten moet je de opleiding maar doen. Nee, ik vertel in een uur hoe het zit. En daarmee is het best wel gecomprimeerd”
“Tip van de sluier, het gaat vanavond over de oplossing, en de oplossing van een burn-out is, ja geloof het of niet, het zijn voedingsstoffen.”
“De truc is, en dat is ook de oplossing voor burn-out, want stresshormonen worden aangemaakt uit voedingsstoffen, maar omdat stress dominant is over alle andere systemen (omdat het uiteindelijk met overleven te maken heeft) heeft de aanmaak van die stresshormonen altijd voorrang. En dat betekent dat er zoveel voedingsstoffen opgemaakt worden voor de productie van stresshormonen, dat er te weinig voedingsstoffen overblijven voor de productie van andere hormonen. Nou, en dan krijg je dus allerlei klachten. En loop je dan door, ga je dan maar door, ga je dan maar door, ga je dan maar door, kun je dus in een burn-out terecht komen en dat is een hormonale meltdown. En dat proces is op te lossen door tijdig te beginnen met het aanvullen van voedingsstoffen. Nou, heb ik het belangrijkste al gezegd. Het is allemaal veel meer biologie dan psychologie.”
Het is meer een verzameling van informatie over stress, burn-out en voeding die bij de overtuiging van Jurgen Spelbos past en uit allerlei hoeken komt. Een stressoloog houdt zich met een beperkt deel uit het boek bezig. Bij de Stressologie-methode (waar een stressoloog mee werkt) wordt namelijk begonnen met voedingsstoffen op basis van de resultaten uit vragenlijsten (testen) en metingen. Wanneer die aanpak onvoldoende effect heeft, wordt er gekeken naar leefstijl en de andere manieren die in het boek beschreven staan (zie screenshot) [5]. Dat protocol staat niet in het boek.
Meten is weten
Aan het principe ‘meten is weten‘ wordt in het boek drie pagina’s besteed. De Braverman-test, oftewel de ‘Quickscan Gelukshormonen‘ en de ‘Stress- en Gelukshormonentest‘ worden niet genoemd. Wel wordt de stress-test van Beverly Potter genoemd, die op de website van het Centrum voor Stressologie te vinden zou zijn, maar er niet (meer) op staat. Andere vragenlijsten die in het boek genoemd worden zijn de ‘Vierdimensionale Klachtenlijst‘ (4DKL), de ‘Utrechtse Burn-out Schaal‘ (UBOS) en de ‘Depression Anxiety Stress Scale‘ (DASS). In de Stressologie-methode wordt daar geen gebruik van gemaakt (zie screenshot), of een stressoloog moet er naast de Stressologie-methode mee werken. Verder worden de levend-bloedanalyse en biofeedback als “fysieke testen” genoemd. De stressoloog maakt daar ook geen gebruik van.
Enkele beweringen in het boek
Het is niet de bedoeling om alle beweringen die in het boek staan te bespreken. Verschillende beweringen kloppen, maar niet allemaal.
Zuivel wordt in andere landen niet aangeraden
Een voorbeeld van een bewering over zuivel die in het boek gedaan wordt en te controleren is [3]:
“In Nederland hebben we het Voedingscentrum, bekend van de schijf van vijf. Als je eet volgens de schijf van vijf zou je alles wat je nodig hebt binnen moeten krijgen, aldus het voedingscentrum.. Maar dat is niet altijd het geval, zagen we al in hoofdstuk 3. Er is hier en daar kritiek op de schijf van vijf, er zou door het Voedingscentrum te veel gedanst worden naar het pijpen van de voedingsmultinationals, en daar zou best een kern van waarheid in kunnen zitten: in andere landen wordt de consumptie van zuivel niet aangeraden maar bij ons , met onze immense zuivelindustrie, wel.”
Het is echter niet zo dan in andere landen geen zuivel wordt aanbevolen. Er zijn momenteel 99 landen met officiële voedingsrichtlijnen [36]. In 2021 is er een review verschenen waarin gekeken is naar de zuivelaanbevelingen van landen met officiële voedingsrichtlijnen [37]. Op dat moment (december 2020) waren dat 94 landen. Hiervan werd bij 75% (met name Europa en Noord-Amerika) zuivel aanbevolen, meestal 2-4 porties per dag. Dat kon zijn omdat zuivel essentiële voedingsstoffen bevat (calcium, fosfor, vitamine B2, eiwit) of omdat de consumptie van zuivel gezondheidsvoordelen met zich meebrengt (zoals Nederland). Meestal is zuivel een aparte voedselgroep in de aanbevelingen (65%) en anders is zuivel opgenomen in de eiwitgroep [38]. Een reden om zuivel niet in de voedingsrichtlijn op te nemen kan zijn omdat een groot percentage van de bevolking op volwassen leeftijd lactose-intolerant is. In een interview zegt Jurgen Spelbos dat de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum volledig achterhaalt is en voor geen meter klopt (in het boek was hij nog mild geeft hij aan) en dat zuivel helemaal niet goed voor je is.
Omega 6-vetzuren veroorzaken ontstekingen
Bij de kanttekeningen bij de vetzurentest is het vermeende ontstekingsbevorderende effect van omega 6-vetzuren besproken. In het boek staat daarover [3]:
“Omega 6-vetzuren zijn veel minder goed voor je, ze veroorzaken en versnellen juist ontstekingsprocessen, en we krijgen veel meer binnen dan ons lief is.”
Studies laten echter niet zien dat linolzuur (het meest voorkomende omeg 6-vetzuur in onze voeding) tot een verhoging van diverse ontstekingsmarkers leidt [28, 29]. Een ander argument voor het ontstekingsbevorderende effect van linolzuur is dat het wordt omgezet in arachidonzuur, wat de precursor is van ontstekingsbevorderende stofjes (eicosanoïden). Studies laten echter niet zien dat linolzuur tot een toename van arachidonzuur leidt [30].
Detoxen helpt de lever en nieren ontgiften
Binnen alternatieve behandelingen is detoxen populair. In het boek staat daarover [3]:
“Een glas lauw of warm water met een halve citroen of limoen, bij voorkeur op je nuchtere maag, is bijvoorbeeld heel goed voor het ontgiften van je lever. Als je daar ook nog twee theelepels biologische appelazijn aan toevoegt reinig je ook gelijk je nieren.”
Dat zal ongetwijfeld in verschillende boeken staan, maar bewijs daarvoor ontbreekt [70].
Regelgeving
In Europa is er regelgeving voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims in commerciële mededelingen. In principe mogen alleen voedings- en gezondheidsclaims gebruikt worden die door de ‘Europese Commissie‘ (EC) zijn goedgekeurd. De ‘European Food and Safety Authority‘ (EFSA) voert de beoordeling uit en adviseert de EC. Dat is geregeld in verordening 1924/2006 [71]. In het boek staat daarover [3]:
“Het is jammer dat de regelgeving in Europa zo is dat je wel reclame mag maken voor junkfood waar mensen ziek van worden maar niet voor producten waar je gezondheidsproblemen mee kunt oplossen.”
Die verordening is op alle voedingsmiddelen van toepassing, ook op junkfood. Gezondheidsclaims gaan over de aanwezigheid van een voedingsstof of ingrediënt waarvan voldoende wetenschappelijk is aangetoond dat het een bepaald gezondheidsvoordeel heeft. Zo mag voor alle voedingsmiddelen met een bepaalde hoeveelheid vitamine C (vanaf 12 mg) de gezondheidsclaim gebruikt worden dat het (door de vitamine C) bijdraagt tot de normale werking van het immuunsysteem [72]. De meeste gezondheidsclaims zijn bij het beoordelingsproces afgewezen omdat er onvoldoende bewijs was, het geen gezondheidsvoordeel werd gevonden of omdat de omschrijving onvoldoende specifiek was. Het is zelfs zo dat voor kruidensupplementen onder bepaalde voorwaarden gezondheidsclaims mogen worden gemaakt waar onvoldoende bewijs voor is en niet door de Europese Commissie zijn goedgekeurd (on hold-claims). Het is dus niet zo dat je voor vitamine-, minerale- en kruidensupplementen geen reclame mag maken.
Een verschil met junkfood is dat daarvoor een ander soort reclame wordt gemaakt, die betrekking heeft op smaak, structuur, mondgevoel, prijs, volume, etc. Dat zijn reclame-uitingen die niet onder verordening 1924/2006 vallen, maar ook voor alle soorten voedingsmiddelen gebruikt mogen worden, ook voor voedingsmiddelen die volgens Jurgen Spelbos gezondheidsproblemen kunnen oplossen.
Natuurlijke voedingsstoffen versus synthetische supplementen
Binnen de Stressologie-methode worden extra voedingsstoffen aanbevolen, maar dat moeten 100% natuurlijke voedingsstoffen zijn. Met synthetische supplementen zou het lichaam geen raad weten. In het boek staat daarover [3]:
“Natuurlijke supplementen hebben voedingsstoffen als basis. Vitamine C kan bijvoorbeeld gewonnen worden uit biologisch geteelde kruisbessen of kersen (acerola) en die bevatten naast bioflavonoïden enzymen en andere stofjes waaronder natuurlijke mineralen die zorgen voor een betere opname. Omdat je lichaam de moleculen herkent, we zijn immers zelf geëvolueerd in de natuur en niet in een lab, worden ze beter opgenomen dan synthetische supplementen.”
Het verschil dat hier wordt beschreven komt door een verschil in samenstelling, niet omdat het één natuurlijk is en het andere synthetisch. Dat is dus geen eerlijke vergelijking. En klopt dat wel? Studies laten namelijk geen verschil zien in de biobeschikbaarheid van vitamine C uit bijvoorbeeld gekookte broccoli, sinaasappel, sinaasappelsap, kiwi, papaja, rauwe wortel, tomatensap, guave-sap, rode frambozen en synthetische vitamine C (zie studies) [73]:
“Although synthetic and food-derived vitamin C is chemically identical, fruit and vegetables are rich in numerous nutrients and phytochemicals which may influence its bioavailability. “
“Overall, a majority of animal studies have shown differences in the comparative bioavailability of synthetic versus natural vitamin C, although the results varied depending on the animal model, study design and body compartments measured. In contrast, all steady state comparative bioavailability studies in humans have shown no differences between synthetic and natural vitamin C, regardless of the subject population, study design or intervention used.“
Meldt de FDA maar liefst 90 bijwerkingen van aspartaam?
Kunstmatige zoetstoffen zoals aspartaam moeten vermeden worden. Over de bijwerkingen van aspartaam staat in het boek [3]:
“De Amerikaanse FDA (Food and Drug Administration), de voedselwaakhond in de VS, meldt maar liefst 90 bijwerkingen van aspartaam, waaronder vermoeidheid, depressie, slaapproblemen, paniekaanvallen en concentratiestoornissen. En, je gelooft het bijna niet, gewichtstoename.”
Dit betreft klachten van aspartaam die door consumenten in de jaren 90 gemeld zijn. Dat is geen betrouwbare en een selectief gekozen bron. Aspartaam was toen nog relatief nieuw en onbekend. Het Nederlandse bijwerkingencentrum (Lareb) meldt ook een verdrietige stemming, psychische klachten, rusteloosheid, duizeligheid, hartkloppingen, verhoging van de bloeddruk bijwerkingen van CBD [74]. Het is ook niet de visie van de FDA en geheel onduidelijk is of er sprake is van een causaal verband. Daarvoor is onderzoek nodig en daaruit blijkt dat aspartaam tot de ADI veilig te gebruiken is en eerder tot gewichtsverlies dan tot gewichtstoename leidt, zeker wanneer er suikerhoudende drank door wordt vervangen [75-81]. Helaas is dat betrouwbaardere onderzoek niet meegenomen in het boek. De FDA zegt over aspartaam [82]:
“Scientific evidence has continued to support the FDA’s conclusion that aspartame is safe for the general population when made under good manufacturing practices and used under the approved conditions of use. The FDA-established acceptable daily intake (ADI), or the amount of aspartame that is considered safe to consume each day over the course of a person’s lifetime, continues to be protective of public health.”
“Aspartame is one of the most studied food additives in the human food supply. To determine the safety of aspartame, the FDA has reviewed more than 100 studies designed to identify possible toxic effects, including studies that assess effects on the reproductive and nervous systems, carcinogenicity, and metabolism. FDA scientists reassessed the science on the exposure and safety of aspartame in food each time the agency filed a food additive petition, received relevant information from other regulatory agencies and research institutions that have evaluated aspartame, and responded to objections that were raised related to the approved uses of aspartame.”
Drink niet te veel koffie
Binnen de Stressologie-methode wordt aanbevolen om niet te veel koffie te drinken [3]:
“Verder is het verstandig om niet te veel koffie of andere cafeïne houdende dranken zoals cola en energydrinks te drinken. Koffie geeft je een boost door de cafeïne die erin zit maar het brengt je lichaam direct in een staat van acute stress waardoor je bijnieren adrenaline en cortisol gaan produceren. Tweehonderd mg cafeïne (een mok koffie) verhoogt het cortisolniveau tot wel 30 procent in een uur. Bovendien kan het tot achttien uur in je bloed aanwezig blijven. Drink daarom hooguit twee tot drie kopjes koffie per dag, op een volle maag en niet ’s avonds.”
Dat klopt natuurlijk. Te veel koffie is niet goed. Observationele studies (helaas moeten we het daarmee doen) laten echter consistent zien dat het drinken van koffie is geassocieerd met een verlaagd risico op depressie [83-86]. Het laagste risico wordt gezien bij 400-600 ml/dag [83]. Voor alleen cafeïne werd geen beschermend effect gevonden. Cafeïne lijkt wel de beschikbaarheid van dopaminereceptoren in de hersenen (striatum) te laten toenemen [87] en er zitten stofjes in koffie die de dopamine-afgifte stimuleren [88].
Daarnaast is de inname van koffie geassocieerd met een verlaagd risico op verschillende chronische ziekten waaronder diabetes type 2, hart- en vaatziekten, hypertensie, kanker en vroegtijdig overlijden [89, 90]. Dat zijn uitkomsten waar niet naar gekeken wordt binnen Stressologie.
Extra voedingsstoffen zijn effectief
Over de voedingsstoffen (vitamines, mineralen, kruiden, vetzuren, aminozuren etc.) wordt gezegd dat het stoffen zijn waar veel wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan [19]. Dat klopt, maar belangrijker is wat de resultaten zijn en naar welke uitkomst er is gekeken. Dit zou namelijk ook gezegd kunnen worden voor een methode die beweert dat extra voedingsstoffen kanker kunnen genezen. Daarnaast zou het interessant zijn om te weten of de effecten verschillen tussen deelnemers waarbij volgens de Stressologie-methode een tekort aan voedingsstoffen/hormonen is vastgesteld en waarbij geen tekorten zijn vastgesteld.
Het is niet zo dat extra voedingsstoffen per definitie geen effect hebben en afgeschreven kunnen worden. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat probiotica, visvetzuren (EPA+DHA) en vitamine D (met name bij een tekort) bepaalde depressieve symptomen kunnen verminderen (niet laten verdwijnen) [91-100]. Maar daar zijn wel de nodige kanttekeningen bij te plaatsen en de mogelijke werkingsmechanismen passen niet binnen de Stressologie-methode.
Een gangbare opvatting is dat er een associatie is tussen een lage serotoninespiegel of lage serotonine-activiteit en depressie. Dit wordt de ‘serotoninetheorie van depressie‘ genoemd. Jurgen Spelbos ziet dat ook in de praktijk en in de Braverman-test wordt die veronderstelling meegenomen. Aangezien het aminozuur L-tryptofaan de enige precursor is van serotonine (zie tryptofaan-metabolisme) zou L-tryptofaan ook een gunstig effect op depressie kunnen hebben. Binnen de Stressologie-methode wordt daar ook mee gewerkt. In een ‘umbrella review‘ uit 2022 is echter vanuit verschillende invalshoeken geen overtuigend bewijs gevonden voor de ‘serotoninetheorie van depressie‘ [101]:
“This review suggests that the huge research effort based on the serotonin hypothesis has not produced convincing evidence of a biochemical basis to depression. This is consistent with research on many other biological markers (21). We suggest it is time to acknowledge that the serotonin theory of depression is not empirically substantiated.”
De effectiviteit van ‘selective serotonin reuptake inhibitors‘ (SSRIs) zou (deels) verklaard kunnen worden door het placebo-effect [102]. Een groep wetenschappers uit de farmaceutische industrie heeft op de ‘umbrella review‘ gereageerd met verschillende bezwaren [103]:
“A recent “umbrella” review examined various biomarkers relating to the serotonin system, and concluded there was no consistent evidence implicating serotonin in the pathophysiology of depression. We present reasons for why this conclusion is overstated, including methodological weaknesses in the review process, selective reporting of data, over-simplification, and errors in the interpretation of neuropsychopharmacological findings.”
De auteurs van de ‘umbrella review‘ hebben daar weer op gereageerd waarin ze de bezwaren hebben weerlegd [104]. Duidelijk is in ieder geval dat er over de ‘serotoninetheorie van depressie‘ geen consensus is.
Onze voeding bevat niet meer voldoende voedingsstoffen
Een reden om extra voedingsstoffen te nemen in de vorm van supplementen en ze niet uit voeding te halen zou zijn omdat in ons voedsel niet meer voldoende voedingsstoffen zitten (20-70% minder) [5]. Analysecijfers vertrouwde hij niet altijd, maar hij raakte daarvan overtuigd na het lezen van het controversiële boek ‘Dodelijke leugens‘ van voormalig fysiotherapeut CF van der Horst [3]. Jurgen Spelbos haalt als voorbeeld aardappelboer Arnold aan uit een uitzending van De Monitor [105]. Hij verrijkte zijn grond met voedingsstoffen waarna zijn aardappelen 24-64% meer voedingsstoffen bevatte dan die van acht collega’s. Om welke voedingsstoffen het gaat is onduidelijk.
Op internet komt regelmatig de Geigy-tabel voorbij (zie tabel 2). Daarin is te zien dat er in 2002 (veel) minder vitamines en mineralen in groente en fruit zaten dan in 1985. In zijn boek ‘Van stress naar geluk’ verwijst hij daar waarschijnlijk ook naar, hoewel hij de bron niet vertrouwde [3]:
“In groenten en fruit als broccoli, wortelen, spinazie, appels, bananen en aardbeien zat in 2002 ten opzichte van 1985 tussen de 40 en 85 procent minder vitamines en mineralen.”
Een probleem met die tabel is dat er geen publicatie van te vinden is met meer informatie over het onderzoek. Is dat al het groente en fruit dat geanalyseerd is, met alle voedingswaarden? Wat voor soort groente en fruit zijn het precies? Bonen, is wel een erg brede omschrijving. En hoeveel monsters zijn er genomen? Het komt erop neer dat we er maar op moeten vertrouwen dat die cijfers kloppen.

Tabel 2: Achteruitgang voedingswaarde volgens het farmaceutische bedrijf Geigy.
Wat laten gepubliceerde analysecijfers zien?
Net zoals Nederland heeft ook Amerika een voedingsstoffenbestand. Daarin staan de voedingswaarden van uiteenlopende voedingsmiddelen. Regelmatig wordt dat bestand aangevuld en geüpdatet. Onderzoekers hebben een keer gebruik gemaakt van dat voedingsstoffenbestand om te kijken of er verschillen zijn in voedingswaarde tussen 1950 en 1999 [106]. Daarbij hebben ze gekeken naar 43 verschillende gewassen, voornamelijk groenten. Uit de vergelijking op groepsniveau blijkt dat de gehaltes van zes van de dertien voedingsstoffen achteruit zijn gegaan (eiwit, calcium, fosfor, ijzer, vitamine B2 en C). De achteruitgang varieerde van 6% voor eiwit tot 38% voor vitamine B2. Op productniveau, dus wanneer elk gewas en elke voedingsstof afzonderlijk werden geanalyseerd, waren er minder verschillen in voedingswaarde. Interessant is dat er in bijna 30% van de gevallen een toename van de voedingswaarde werd gevonden. Twee andere analyses uit Amerika en Engeland laten ook zien dat de gehaltes van sommige vitamines en mineralen tussen 1930 en 1980 zijn gedaald, maar vaak binnen de marge van natuurlijke variatie [107-109].
Het is lastig om de resultaten op een juiste manier te interpreteren. We weten bijvoorbeeld dat niet iedere fruitsoort evenveel vitamine C bevat. Een appel bevat per 100 gram 5 mg vitamine C, terwijl een kiwi per 100 gram 98 mg vitamine C bevat. Een daling van 20% vitamine C heeft bij een appel minder impact dan bij een kiwi. Analysecijfers houden daar geen rekening mee, die laten alleen een percentage zien. Verder zijn er diverse factoren die voor verschillen in voedingswaarde kunnen zorgen:
- Verschil in ras.
- Verschil in biologische variatie.
- Verschil in bodemkwaliteit, locatie, klimaat, bemesting en teelttechnieken.
- Verschil in de nauwkeurigheid van de gebruikte meetapparatuur.
Een andere manier waarop gekeken kan worden naar de achteruitgang in voedingswaarde is om oude en nieuwere gewassen naast elkaar te planten. Deze studies zijn betrouwbaarder omdat er minder verstorende factoren aanwezig zijn. Klimaat, bodem, meetapparatuur, etc zijn hetzelfde. Het enige verschil is de genetische variëteit. Dit is gedaan bij tarwe, maïs en broccoli [110-113]. Ook daaruit blijkt dat er in de oude varianten meer eiwitten en mineralen zitten.
Is aanvulling nodig?
Aanvulling is nodig wanneer het niet mogelijk is om met de gewone voeding voldoende vitamines en mineralen binnen te krijgen. Dat blijkt niet zo te zijn. Huidige analysecijfers van voedingsmiddelen (NEVO) en voedselconsumptiepeilingen laten zien dat met gewone voeding de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden gehaald kunnen worden [114]. Het is zelfs zo dat NEVO-online nu soms hogere voedingswaarden laten zien dat de Geigy-tabel laat zien in 1985. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat in 100 gram rauwe broccoli 77 µg foliumzuur zit, in 100 gram rauwe tuinbonen 28 mg magnesium en 150 µg foliumzuur, in 100 gram rauwe spinazie 105 mg calcium, in 100 gram rauwe appel met schil nog steeds 5 mg vitamine C en in 100 gram aardbeien nog steeds 60 mg vitamine C. Het grootste probleem is dat veel mensen de ‘Richtlijnen goede voeding‘ niet volgen en daardoor onvoldoende voedingsstoffen binnenkrijgen (zie figuur 3) [114]. Verder maakt de Stressologie-methode gebruik van geconcentreerde voedingsstoffen die vaak niet in die hoeveelheden en in die vorm in voeding hebben gezeten.
Het lichaam weet geen raad met synthetische voedingsstoffen
Wanneer gekozen wordt voor extra voedingsstoffen zouden dat volgens Jurgen Spelbos 100% natuurlijke voedingsstoffen moeten zijn. Synthetische supplementen zouden troep zijn waar het lichaam geen raad mee weet en wat 95% van het aanbod zou zijn (zie screenshot) [5]. Van veel voedingsstoffen die binnen de Stressologie-methode gebruikt worden is echter geen synthetische variant. Er zijn geen supplementen met synthetische mineralen, aminozuren, visvetzuren, kruiden, paddenstoelen, CBD en enzymen. Het zou dan moeten gaan om vitamines die synthetisch zijn gefabriceerd. Maar studies laten niet zien dat die inferieur zijn aan natuurlijke vitamines [115-117]. Daarnaast is de vraag of een eventueel hogere biobeschikbaarheid de meerprijs die er vaak aan vasthangt rechtvaardigt.
Wat betreft curcumine is de biobeschikbaarheid van nature erg laag door de slechte absorptie, een snel metabolisme en een snelle uitscheiding ervan [118]. Soms is de stijging zelfs niet detecteerbaar in het bloed. Er worden daarom verschillende kunstgrepen uitgevoerd om de biobeschikbaarheid ervan te verhogen om zo gebruik te kunnen maken van het potentieel dat curcumine heeft.
Jurgen Spelbos geeft aan dat je synthetisch vitamine C kunt herkennen aan de benaming ‘ascorbinezuur‘ op het etiket [3, 119]. Ascorbinezuur is echter een andere benaming voor vitamine C en zegt niet of het wel of niet synthetisch is. Het ‘Nederlandse Voedingsstoffenbestand’ (NEVO) geeft bijvoorbeeld aan dat in 100 gram kiwi, gemiddeld 98 mg ascorbinezuur zit (zie screenshot).
Geen aandacht voor andere verklaringen
Binnen de Stressologie-methode wordt er natuurlijk uitgegaan van hun eigen visie. De oorzaak wordt vastgesteld en op basis daarvan wordt er een behandeling geadviseerd. Dat is prima wanneer daar voldoende bewijs voor is. Er zijn echter ook andere verklaringen waardoor chronische stress tot gezondheidsproblemen leidt, met immunosuppressie en inflammatie als goede kandidaten (zie figuur 3) [120-123]. Bepaalde hormonen en neurotransmitters spelen daar zeker een rol bij. Het is dus niet zo dat bij de traditionele invalshoek geen biologische componenten meespelen. Maar dan omdat ze door chronische stress gestimuleerd of onderdrukt worden wat lichamelijke gevolgen heeft [34]. Een tekort aan voedingsstoffen speelt bij die metabole wegen geen rol. In de wetenschap is echter nog veel onduidelijk over de etiologie van stressgerelateerde gezondheidsproblemen zoals depressie met waarschijnlijk biologische, genetische, omgevings- en psychosociale componenten. De overtuiging die Jurgen Spelbos heeft van de Stressologie-methode is dan ook opmerkelijk.

Figuur 3: Schematische weergave van de de relatie tussen stress, inflammatie en stressgerelateerde gezondheidsproblemen. Overgenomen van Liu et al. Inflammation: The Common Pathway of Stress-Related Diseases [121].
Verschillende andere reguliere behandelingen en interventies zijn in meer of mindere mate effectief gebleken voor de behandeling van stressklachten en depressie [124-133]. Daar wordt geen tot nauwelijks aandacht aan besteed. Het zijn met name alternatieve behandelingen die aanbevolen worden (uitzonderingen daargelaten). Daarmee heeft de Stressologie-methode een beperkte invalshoek van stress, burn-out en depressie en de pathofysiologie ervan. De effectiviteit van die andere behandelingen (hoewel niet optimaal) wordt niet verklaard binnen het concept van de Stressologie-methode. Die methoden werken echter niet met extra voedingsstoffen. Dat betekent dat de oorzaak (deels) ergens anders moet liggen. Binnen de Stressologie-methode lijkt dat ook begrepen te worden aangezien de aanpak breder is dan alleen extra voedingsstoffen. Er wordt ook aandacht besteed aan ‘gezonde voeding‘ en beweging, maar de rode draad is voedingsstoffen [5]:
“En nu komt de crux. Deze vier hormonen die hebben voedingsstoffen nodig om aangemaakt te kunnen worden. Mediteren is fantastisch, mindfulness is geweldig, in het boslopen, allemaal doen, maar je hebt voedingsstoffen nodig om deze hormonen aan te kunnen maken. Ga je niet met die voedingsstoffen aan de gang wordt het echt heel lastig.”
We weten dat een gezond eetpatroon en lichaamsbeweging depressieve symptomen en het risico op depressie kunnen verminderen [126-133]. In de ‘Zorgstandaard depressieve stoornissen‘ van het GGZ vallen deze interventies onder ‘Zelfmanagement‘ [134]. Daarvoor hoef je echter niet naar een stressoloog en extra voedingssupplementen te nemen (kopen). De Stressologie-methode kan mogelijk meeliften op de gunstige effecten daarvan. Maar het probleem wat dan speelt is hoe lang de verbeteringen aanhouden. Het is voor veel mensen niet moeilijk om tijdelijk gezonder te gaan eten en meer te gaan bewegen. Op veel gebieden zullen dan ook verbeteringen optreden. Op den duur zal echter bij veel mensen de motivatie afnemen waardoor ze terugvallen naar de beginsituatie. De stressoloog is daar niet voor opgeleid en het traject dat ze hebben voor werknemer duurt daarvoor te kort (maximaal zes maanden).
Artsen en psychologen weten onvoldoende van voeding
Een verklaring die gegeven wordt waarom artsen en psychologen niet met de Stressologie-methode als oplossing komen zou zijn omdat ze maar enkele dagdelen les krijgen over de macronutriënten en dat de vitamines, mineralen, vetzuren, aminozuren, kruiden, vezels, etc. helemaal niet aan bod komen (zie screenshot) [19]. Een geneeskundestudent krijgt gemiddeld 29 uur les over voeding [135]. De vraag is of dat in de vakopleiding ‘Stressolologie en energiemanagement‘ meer is. Nog niet gesproken over de cursus ‘Toegepaste Stressologie‘.
Een arts en psycholoog zijn beter (meer, op een hoger niveau en evidence based) onderwezen op het gebied van, (patho)fysiologie, psychologie, endocrinologie, biochemie en farmacologie, wat tevens belangrijke onderwerpen zijn om de visie van de Stressologie-methode te kunnen begrijpen en verklaren (of niet). Een arts leert ook om differentieeldiagnostisch rekening te houden met depressie, angststoornis en problematisch alcoholgebruik en stressoren te achterhalen (niet altijd bekend bij de patiënt) en volgt nascholingen. Bij de huisarts kun je ook terecht met stressklachten, overspanning, burn-out en depressie. Stressreductie komt daar ook aan bod, ook met adviezen over ontspanning en een gezonde leefstijl (gezonde voeding, beweging, slapen) [136-138]. Verder zijn er ook trainingen stressreductie beschikbaar. Het is dus niet zo dat de huisarts met lege handen staat bij stressklachten, burn-out en depressie. De vraag is ook waarom de visie van de Stressologie-methode in de opleiding voor artsen behandeld zou moeten worden wanneer een degelijke onderbouwing ontbreekt. Wat is de meerwaarde ervan boven het huidige beleid?
Meten is weten (als je weet wat je meet)
Meten is weten, maar alleen als je weet wat je meet. Bij de verschillende soorten metingen die binnen de Stressologie-methode worden gebruikt is wel een aantal kanttekeningen te plaatsen, zoals eerder genoemd.
- Er is geen onderzoek naar gedaan, maar de ‘Stress- en Gelukshormonen test‘ en de ‘Quickscan Gelukshormonen‘ zijn waarschijnlijk onbetrouwbaar en onnauwkeurig. In ieder geval zijn deze testen niet gevalideerd, wat een serieuze tekortkoming is.
- De hartritmevariabiliteit (HRV) is bruikbaar als indicatie van het verloop van het stressniveau. Een onderbouwing van de Stressologie-methode is het echter niet.
- De vetzuur-, speeksel- en urinetesten zullen wel betrouwbaar en nauwkeurig zijn. Ze zullen consistent meten wat ze horen te meten. De vraag is hoe de resultaten worden geïnterpreteerd en welke behandeling daarop volgt. Een onderbouwing van de Stressologie-methode is het niet.


